ECLI:NL:GHSHE:2004:AU5141
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Aarts
- Drijkoningen
- Den Hartog Jager
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijs vertegenwoordigingsbevoegdheid werknemer in huurovereenkomsten
In deze zaak stond centraal of geïntimeerde, BO-MIJ, kon aantonen dat een werknemer van appellante vertegenwoordigingsbevoegdheid had om huurovereenkomsten aan te gaan. Na toelating tot bewijslevering heeft BO-MIJ een getuige gehoord, maar deze verklaarde niet over de volmacht of het inzetten van gehuurde zaken bij projecten van appellante.
Het hof stelde vast dat BO-MIJ onvoldoende bewijs had geleverd voor haar stellingen. De enkele opening van een debiteurenrekening door appellante bij BO-MIJ in het verleden was ontoereikend om schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid aan te nemen, mede omdat de voorwaarden van die rekening niet waren overgelegd.
Een huurovereenkomst gesloten in maart 2003 door een andere vestiging veranderde hier niets aan. Het hof concludeerde dat BO-MIJ niet in haar bewijs is geslaagd en wees de vorderingen af. BO-MIJ werd veroordeeld tot terugbetaling aan appellante en in de proceskosten van beide instanties.
Uitkomst: De vorderingen van BO-MIJ worden afgewezen en zij wordt veroordeeld tot terugbetaling en proceskosten.