AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep ontuchtige handelingen met minderjarige veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf
In deze strafzaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Breda vernietigd en in hoger beroep een andere bewezenverklaring vastgesteld. Verdachte werd beschuldigd van meerdere ontuchtige handelingen met een minderjarige tussen twaalf en zestien jaar, gepleegd in de periode januari tot februari 2004 in Rijen.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meerdere keren ontuchtige handelingen heeft verricht, waaronder seksueel binnendringen door het gebruik van zijn tong en het laten betasten van zijn geslachtsdelen door het slachtoffer. De verdediging ontkende deze feiten, maar het hof verwierp dit verweer op basis van verklaringen van het slachtoffer, haar ouders en ondersteunend bewijs zoals foto's van tatoeages en waarnemingen over het afgeschoren schaamhaar van verdachte.
Het hof kwalificeerde de feiten als misdrijven ingevolge artikelen 245 en 247 Sr, in samenhang met artikel 57 SrPro. Gelet op de ernst van de feiten, het misbruik van overwicht door verdachte en de impact op het slachtoffer, werd een taakstraf van 240 uur opgelegd, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar. De straf weerspiegelt de ernst en dient tevens recidive te voorkomen.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van 240 uur wegens ontuchtige handelingen met een minderjarige.
Uitspraak
Parketnummer: 20-003583-04
Uitspraak : 27 mei 2005 TEGENSPRAAK
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 12 juli 2004 in de strafzaak met parketnummer 1683/04 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen, hetgeen inhoudt dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht naar rato van 2 uren per dag.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op meer, althans één, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 29 februari 2004 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede
bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte (telkens) zijn tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;
2.
hij op meer, althans één, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 29 februari 2004 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het leggen van de hand(en) van die [slachtoffer] op zijn penis, althans het laten betasten van zijn penis en/of het betasten van de vagina en/of de anus en/of de billen en/of de borsten van die [slachtoffer] en/of het likken van de borsten van die [slachtoffer] .
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 29 februari 2004 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte telkens zijn tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;
2.
hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 29 februari 2004 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, telkens een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het leggen van de handen van die [slachtoffer] op zijn penis en/of het betasten van de billen en/of de borsten van die [slachtoffer] en/of het likken van de borsten van die [slachtoffer] .
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.
De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft hij - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat hij de aangeefster [slachtoffer] wel privé-dansles heeft gegeven in zijn dansschool maar dat daarbij, anders dan aangeefster heeft verklaard, geen handelingen door hem zijn verricht als ten laste gelegd onder 1 en 2.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende.
[slachtoffer] heeft verklaard dat zij, nadat de ontucht had plaatsgevonden, daarover aantekeningen heeft gemaakt in een schriftje. Haar moeder heeft dat schriftje zien liggen en gelezen wat erin stond over de door de verdachte gepleegde ontuchtige handelingen. Ook haar vader heeft gelezen wat er in het schriftje stond. Beide ouders hebben hierover bij de politie een verklaring afgelegd. De verklaringen van beide ouders over hetgeen zij in dat schriftje hebben gelezen stemmen overeen met hetgeen door [slachtoffer] over de ontuchtige handelingen werd verklaard.
Daarnaast heeft [slachtoffer] verklaard over tatoeages die verdachte in de liesstreek heeft. Van deze tatoeages zijn foto's in het dossier opgenomen. De beschrijving van [slachtoffer] van deze tatoeages spoort met de foto-afbeelding van die tatoeages. De verdachte heeft verklaard dat hij reeds eerder van de tatoeages een heel klein stukje - te weten de bovenkant - aan enkele mensen, onder wie [slachtoffer] , heeft laten zien. De beschrijving door [slachtoffer] van deze tatoeages is echter zodanig dat zij de gehele tatoeage in de bewezenverklaarde periode moet hebben gezien.
Het hof neemt voorts in aanmerking dat verdachte bij de rechter-commissaris heeft verklaard niet te weten hoe [slachtoffer] kan weten dat hij zijn schaamhaar heeft afgeschoren. Niettemin heeft [slachtoffer] daarover verklaard. Haar waarneming vindt bevestiging in de door de politie gemaakte foto's, waarop is te zien dat het schaamhaar van verdachte is afgeschoren.
Het hof verwerpt mitsdien het verweer van verdachte.
Kwalificatie
Het bewezen verklaarde onder 1 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 245 vanPro het Wetboek van Strafrecht, in samenhang met artikel 57 vanPro dat wetboek.
Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.
Het bewezen verklaarde onder 2 is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 247 vanPro het Wetboek van Strafrecht, in samenhang met artikel 57 vanPro dat wetboek.
Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.
- 4 - 20-003583-04
Strafbaarheid
Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen straf of maatregel
Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof oplegging van na te melden taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.
Daarbij heeft het hof het navolgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer] , die ten tijde van het plegen van die ontuchtige handelingen nog maar veertien jaren oud was. Daarbij heeft verdachte misbruik gemaakt van zijn overwicht op [slachtoffer] , dat was gebaseerd op het grote verschil in leeftijd tussen beiden en op de omstandigheid dat verdachte de leermeester was van [slachtoffer] en voorts dat aangeefster bijzonder graag aan danswedstrijden wilde gaan deelnemen en daarbij afhankelijk was van verdachte als haar dansleraar. Door het plegen van de ontuchtige handelingen heeft verdachte de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] op grove wijze geschonden.
Verdachte heeft kennelijk alleen maar gedacht aan zijn eigen lustbeleving en heeft er blijkbaar niet bij stilgestaan dat het plegen van ontucht met minderjarigen tot het ontstaan van ernstige psychische en emotionele klachten bij die minderjarigen kan leiden en in het onderhavige geval ook heeft geleid.
Ten gunste van verdachte houdt het hof bij de stafoplegging rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van soortgelijke misdrijven.
Met oplegging daarnaast van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.
Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart dat de bewezenverklaarde feiten opleveren:
ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:
Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.
ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:
Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.
Verklaart verdachte deswege strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt verdachte tot een taakstrafbestaande uit een werkstrafvoor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren,indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) urenper dag.
Aldus gewezen door
mr. Gründemann, voorzitter, mrs. Otten en Ficq, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. Van der Meijs, griffier,
en op 27 mei 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. Ficq is buiten staat dit arrest te ondertekenen.