ECLI:NL:GHSHE:2005:AT1776

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
KG C0400466-HE1
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Rechters
  • Brandenburg
  • Meulenbroek
  • Feddes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 EEX-VoArt. 5 lid 3 EEX-Vo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter bij onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking met Duits recht

In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd was om kennis te nemen van een geschil tussen Turbu.com Mobile Phones BV, gevestigd in Nederland, en een Duitse vennootschap naar Duits recht. Turbu vorderde betaling van een bedrag van €356.000 op grond van onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking.

Het hof oordeelde dat op grond van artikel 2 van Pro de EEX-Verordening de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is, hier de Duitse rechter. Turbu stelde dat artikel 5 lid 3 van Pro de EEX-Verordening een alternatieve bevoegdheidsgrond bood, omdat het schadebrengende feit zich in Nederland zou voordoen.

Het hof overwoog dat het schadebrengende feit zich in Duitsland voordoet, omdat het vermogensbestanddeel waarop Turbu rechten heeft zich feitelijk in Duitsland bevindt. Het enkele feit dat Turbu in Nederland gevestigd is en daar financiële schade voelt, is onvoldoende voor bevoegdheid van de Nederlandse rechter.

Daarom verklaarde het hof zich onbevoegd en vernietigde het vonnis waarvan beroep. Turbu werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, die werden begroot op ruim €10.500. De beslissing onderstreept het belang van nauwkeurige toetsing van internationale bevoegdheidsregels bij grensoverschrijdende vermogensgeschillen.

Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd en veroordeelt Turbu in de proceskosten.

Uitspraak

typ. KD
rolnr. KG C0400466/HE
ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,
vijfde kamer, van 15 maart 2005,
gewezen in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TURBU.COM MOBILE PHONES BV,
gevestigd te Bergeijk,
appellante,
procureur: mr. R.W.F. Hendriks,
t e g e n :
de vennootschap naar Duits recht
[PERSOONSNAAM] TELECOM GMBH,
gevestigd te [plaatsnaam] (Duitsland),
geïntimeerde,
procureur: mr. J.E. Benner,
als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 30 november 2004 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch tussen partijen onder zaaknummer 101804/KG ZA 03-715 gewezen vonnis in kort geding van 16 december 2003.
6. Het verdere verloop van het proces
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof Turbu in de gelegenheid gesteld een nadere memorie te nemen als bedoeld in 4.6 van het tussenarrest.
Turbu heeft daarop een memorie na tussenarrest genomen.
Vervolgens hebben partijen opnieuw de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.
7. De verdere beoordeling
7.1 De kwestie die [geïntimeerde] in haar memorie van antwoord aan de orde heeft gesteld betreft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Door het hof is dit opgevat als een incidentele grief. Op hetgeen [geïntimeerde] in dit verband naar voren heeft gebracht, heeft Turbu overeenkomstig rechtsoverweging 4.6 van het tussenarrest bij nadere memorie gereageerd.
7.2 [geïntimeerde] is gevestigd in Duitsland en Turbu in Nederland. Van een forumkeuze voor de Nederlandse rechter is geen sprake nu daaromtrent niets is gesteld of gebleken.
7.3 De basisregel van de hier toepasselijke Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo) is neergelegd in artikel 2 EEX Pro-Vo. Deze houdt in dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die staat. In dit geval brengt toepassing van deze basisregel mee dat de rechter in Duitsland bevoegd is en dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd dient te verklaren.
7.4 De vraag is vervolgens of in dit geval sprake is van toepasselijkheid van een bijzondere, alternatieve, bevoegdheidsregel. Hierbij gaat het in dit geval om artikel 5 aanhef Pro en sub 3 EEX-Vo. Krachtens deze bepaling geldt voor verbintenissen uit onrechtmatige daad dat een verweerder ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Volgens Turbu is deze bepaling van toepassing, volgens [geïntimeerde] niet.
7.5 Turbu baseert haar vordering tegen [geïntimeerde] op de stelling dat [geïntimeerde] jegens haar onrechtmatig handelt door te weigeren de door Campos betaalde koopsom ad € 356.000,= rechtsreeks aan Turbu te voldoen. Daarnaast is er volgens Turbu sprake van ongerechtvaardigde verrijking doordat [geïntimeerde] ten koste van Turbu het bedrag van € 356.000,= onder zich houdt zonder dat [geïntimeerde] daarvoor enige prestatie heeft geleverd.
7.6 Volgens vaste rechtspraak berust genoemde bevoegdheidsregel op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen het geschil en het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, zodat de bevoegdheid van dit gerecht wordt gerechtvaardigd door de eisen van een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting. Wanneer de plaats waar zich een feit heeft voorgedaan dat tot aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan leiden en de plaats waar door dit feit schade is ontstaan niet samenvallen, biedt de uitdrukking in artikel 5 aanhef Pro en sub 3 EEX-Vo 'plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan' aan eiser de keuze verweerder voor het gerecht van de ene dan wel de andere plaats op te roepen. Deze uitdrukking dient evenwel niet extensief uitgelegd te worden in die zin dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt. De uitdrukking omvat niet ook de plaats waar eiser woont of waar zich het centrum van zijn vermogen bevindt op de enkele grond dat hij aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het in een andere verdragsluitende staat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen (HvJ EG 10 juni 2004, zaaknr. C-168/02, Kronhofer/Maier c.s.).
7.7 Hantering van deze uitgangspunten leidt in de onderhavige zaak met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 5 aanhef Pro en sub 3 EEX-Vo tot het volgende resultaat. Zowel het gestelde onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] als de gestelde ongerechtvaardigde verrijking heeft erop betrekking dat [geïntimeerde] weigert een vermogensbestanddeel waarop Turbu rechten kan doen gelden weigert aan Turbu af te staan. Dat betekent dat dit vermogensbestanddeel, het bedrag van € 356.000,=, in de feitelijke macht van [geïntimeerde] en dus in Duitsland blijft, terwijl het daar in de visie van Turbu niet thuishoort. Turbu is door de weigering van [geïntimeerde] om dit bedrag aan Turbu te voldoen niet in staat om over dit deel van haar vermogen te beschikken. Deze weigering dient naar het oordeel van het hof te worden aangemerkt als het feit dat tot aansprakelijkheid van [geïntimeerde] kan leiden; dit feit doet zich in Duitsland voor. In deze situatie is er met betrekking tot de plaats waar het feit zich heeft voorgedaan geen ander verband met Nederland dan dat Turbu in Nederland gevestigd is en de financiële schade in haar vermogen aldaar voelt. Dat nu is gezien de hiervoor in 7.6 aangehaalde uitspraak onvoldoende om een beroep op de bijzondere bepaling van artikel 5 aanhef Pro en sub 3 EEX-Vo te rechtvaardigen.
7.8 Deze conclusie geldt zowel in het geval onder 'onrechtmatige daad' in genoemde bepaling alleen het door Turbu gestelde onrechtmatig handelen valt (zoals [geïntimeerde] bepleit) als in het geval dat bij de vereiste autonome uitleg van de bepaling daaronder ook de gestelde ongerechtvaardigde verrijking dient te worden begrepen (zoals Turbu bepleit). Voor de beslissing in deze zaak is om die reden niet van belang welk van beide standpunten als juist moet worden aangemerkt (zie in dit verband HvJ EG 27 september 1988, NJ 1990/425 m.n. JCS).
7.9 Een en ander brengt mee dat het beroep van Turbu op artikel 5 aanhef Pro en sub 3 EEX-Vo niet opgaat; enige andere bepaling waarop de bevoegdheid van de Nederlandse rechter gegrond kan worden is evenmin voorhanden. Dit betekent dat de incidentele grief van [geïntimeerde] slaagt en dat de grieven van Turbu geen behandeling meer behoeven. Het vonnis waarvan beroep zal vernietigd worden en het hof zal zich onbevoegd verklaren. Turbu dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
8. De beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:
verklaart zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen;
veroordeelt Turbu in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 5.669,= aan verschotten en op € 4.894,50 aan salaris procureur;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek, en Feddes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 15 maart 2005 en ondertekend door de griffier en de rolraadsheer.