ECLI:NL:GHSHE:2005:AT6394
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aftrekbaarheid van uitkeringen aan voormalige levenspartner volgens Wet inkomstenbelasting 2001
Belanghebbende had uitkeringen gedaan aan zijn voormalige levenspartner, de heer M, en vorderde aftrek van deze betalingen in de inkomstenbelasting 2001. Het geschil betrof uitsluitend de vraag of deze uitkeringen in rechte vorderbaar waren volgens artikel 6.3, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
De voormalige partners hadden in Indonesië samengewoond en waren in 1997 uit elkaar gegaan. Belanghebbende was daarna in Nederland gaan wonen en had maandelijks betalingen verricht. Partijen gingen ervan uit dat de heer M volgens Indonesisch recht geen aanspraak had op deze uitkeringen. Het hof stelde vast dat ook volgens Nederlands recht geen wettelijk recht op onderhoud bestond, omdat geen huwelijk of geregistreerd partnerschap was aangegaan en geen onderhoudsverplichting uit artikel 1:392 BW Pro volgde.
Een notariële akte uit 2002, waarin belanghebbende zich verplichtte tot betalingen, kon niet met terugwerkende kracht de in 2001 gedane uitkeringen in rechte vorderbaar maken. Het hof oordeelde dat de uitkeringen in 2001 niet in rechte vorderbaar waren, ongeacht welk rechtssysteem werd toegepast. De argumenten van belanghebbende over wisselende standpunten van de belastingdienst en het repressieve Indonesische beleid konden hieraan niet afdoen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de uitkeringen in 2001 niet in rechte vorderbaar waren.