ECLI:NL:GHSHE:2005:AT8572

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R200500400
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Kranenburg
  • Lamers
  • Van Soest-Van Dijkhuizen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 RvArt. 253a RvBurgerlijk Wetboek Boek 1
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hoofdverblijfplaats minderjarige bij moeder ondanks vertrek naar Colombia

In deze zaak stond de hoofdverblijfplaats van een minderjarige centraal, waarbij de moeder met het kind naar Colombia was vertrokken. De vader was in hoger beroep gegaan tegen de beschikking die de hoofdverblijfplaats bij de moeder bepaalde, ook bij verhuizing naar het buitenland.

Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft zolang het kind haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Gezien het jonge leeftijd van het kind en het ontbreken van voldoende feitelijke informatie over een duurzame vestiging in Colombia, verwierp het hof het verweer van de moeder dat de hoofdverblijfplaats in Colombia zou zijn.

Verder werd het laakbaar bevonden dat de moeder zonder overleg vertrok en via de ambassade vervangende paspoorten verkreeg, waardoor het contact tussen vader en kind ernstig werd bemoeilijkt. Het hof benadrukte de informatieplicht en de plicht tot medewerking aan omgang van de moeder.

Uiteindelijk bekrachtigde het hof de beschikking van de rechtbank Roermond die de hoofdverblijfplaats bij de moeder bepaalde, mede gelet op de verzorgingssituatie en het belang van het kind. De proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder blijft, ondanks haar vertrek naar Colombia.

Uitspraak

HK
28 juni 2005
Rekestenkamer
Rekestnummer R200500400
GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH
Beschikking
In de zaak in hoger beroep van:
[naam appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
de vader,
procureur mr. J.C. Lang,
t e g e n
[naam geintimeerde],
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats in en buiten Nederland,
geïntimeerde,
de moeder,
procureur mr. J.E. Benner.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 19 januari 2005, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 12 april 2005, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, het verzoek van de moeder alsnog af te wijzen.
2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 27 april 2005, heeft de moeder verzocht de vorderingen van de vader af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen met veroordeling van de vader in de proceskosten.
2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 mei 2005. Bij die gelegenheid zijn gehoord de vader en zijn advocaat, de advocaat van de moeder en de vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming. De moeder is bij deze gelegenheid niet verschenen.
2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 9 december 2004.
3. De gronden van het hoger beroep
Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.
4. De beoordeling
4.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond. Uit hun relatie is op 28 mei 2003 een dochter geboren: [naam minderjarige dochter]. De vader heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder en [naam minderjarige dochter] de Colombiaanse. De vader heeft [naam minderjarige dochter] erkend en partijen hebben gezamenlijk het gezag over de minderjarige. De samenwoning tussen partijen is verbroken in oktober 2004.
4.2. De procedure in eerste aanleg is begonnen met een verzoek van de moeder tot verkrijging van vervangende toestemming voor reizen naar en definitief verblijf in het buitenland, meer in het bijzonder in Colombia, met de minderjarige. Uit de bestreden beschikking kan worden afgeleid dat partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg hebben geconcludeerd dat hun geschil betrekking heeft op de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. Bij de bestreden beschikking werd de hoofdverblijfplaats van [naam minderjarige dochter] bij de moeder bepaald, ook indien moeder naar het buitenland verhuist. Van deze beslissing is de vader in hoger beroep gekomen.
Rechtsmacht
4.3. In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de advocaat van de moeder aangevoerd dat het hof geen rechtsmacht toekomt omdat [naam minderjarige dochter] haar gewone verblijfplaats thans niet meer in Nederland heeft, maar in Colombia, alwaar zij met haar moeder vanaf januari 2005 zou verblijven.
4.4. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Ingevolge artikel 5 Rv Pro heeft de Nederlandse rechter inzake maatregelen ter bescherming van kinderen rechtsmacht indien het kind in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft. Het begrip 'gewone verblijfplaats' staat voor maatschappelijke woonplaats. De beoordeling waar iemand gewone verblijfplaats heeft is in grote mate een kwestie van waardering van de feiten van het geval; een zekere duurzaamheid is echter wel vereist. Uit de stukken is gebleken dat [naam minderjarige dochter] het grootste gedeelte van haar nog erg jonge leven in Nederland heeft doorgebracht. [naam minderjarige dochter] is onlangs twee jaar oud geworden en zij heeft vanaf haar geboorte tot in ieder geval kort voor de uitspraakdatum van de bestreden beschikking in Nederland gewoond. Het hof heeft de advocaat van de moeder ter zitting in hoger beroep uitdrukkelijk gevraagd naar de huidige feitelijke verblijfplaats van [naam minderjarige dochter], waarop deze heeft geantwoord dat hij alle informatie over [naam minderjarige dochter] en haar moeder niet rechtstreeks van de moeder maar via een in Nederland wonende derde ontvangt en dat hij er van uitgaat dat [naam minderjarige dochter] thans inderdaad in Colombia verblijft. Over de concrete omstandigheden waarin [naam minderjarige dochter] thans verblijft en de duurzaamheid daarvan kon de advocaat van de moeder geen inlichtingen verstrekken. Gelet hierop en derhalve bij gebreke van voldoende feitelijke informatie over haar huidige verblijfplaats in combinatie met de betrekkelijk korte periode dat [naam minderjarige dochter] thans kennelijk buiten Nederland verblijft, verwerpt het hof de namens de moeder opgeworpen stelling, dat er door het tijdsverloop van de onderhavige procedure sprake is van een zodanige worteling van [naam minderjarige dochter] in de Colombiaanse samenleving, dat geoordeeld zou moeten worden dat zij aldaar inmiddels haar gewone verblijfplaats heeft. Op grond van de vorengenoemde omstandigheden acht het hof zich bevoegd om van het beroepschrift kennis te nemen.
Hoofdverblijfplaats
4.5. Uit de stukken is gebleken dat partijen met elkaar hadden afgesproken dat de moeder tijdens de procedure in eerste aanleg en in afwachting van de beslissing van de rechtbank, haar paspoort en dat van [naam minderjarige dochter] zou inleveren bij haar advocaat, om te voorkomen dat zij nog voor het einde van die procedure met [naam minderjarige dochter] naar het buitenland zou vertrekken. Gebleken is dat de moeder de paspoorten bij haar advocaat heeft ingeleverd, maar dat zij zich voor het overige niet aan de gemaakte afspraken heeft gehouden. Zonder overleg is de moeder met [naam minderjarige dochter] enige dagen voor de uitspraakdatum van de bestreden beschikking uit Nederland vertrokken. Die handelwijze, waarbij de moeder bovendien kennelijk via de Colombiaanse ambassade in Nederland onder valse voorwendselen vervangende paspoorten heeft verkregen, acht het hof uitermate laakbaar tegenover de vader en bovendien zeer verontrustend, omdat de moeder daarmee de indruk heeft gewekt vader geen plaats meer te willen geven in het leven van [naam minderjarige dochter]. De vader heeft ter zitting aangegeven dat hij de afgelopen tijd zeer veelvuldig heeft getracht contact te krijgen met moeder althans met de familie van moeder in Colombia via e-mail en telefoon, maar dat daarop niet wordt gereageerd. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is het hof van oordeel dat beide partijen en derhalve niet alleen de vader dient te investeren in het herstel van het contact met zijn dochter en dat in dat verband een grote rol voor de moeder is weggelegd. Het hof heeft de advocaat van de moeder er ter zitting uitdrukkelijk op gewezen dat de moeder jegens de vader een informatieverplichting omtrent [naam minderjarige dochter] heeft, hetgeen bijvoorbeeld via e-mail eenvoudig te realiseren zou zijn. Voorts heeft het hof de advocaat van de moeder er uitdrukkelijk op gewezen, gelet op het feit dat beide partijen gezamenlijk het gezag over [naam minderjarige dochter] hebben en niet is gesteld noch is gebleken dat er gronden zijn voor ontzegging van de omgang tussen de vader en [naam minderjarige dochter], dat moeder de plicht heeft mee te werken aan de totstandkoming van enige vorm van omgang tussen de vader en de minderjarige. Van de moeder mag dan ook verwacht worden dat zij de feitelijke verblijfplaats van [naam minderjarige dochter] aan de vader bekend maakt en dat zij de nodige inspanningen verricht om in het belang van [naam minderjarige dochter] het contact tussen de vader en [naam minderjarige dochter] op korte termijn te herstellen en in stand te houden.
4.6. Het vorenstaande laat onverlet dat aan het hof slechts de vraag voorligt of de rechtbank terecht de hoofdverblijfplaats van het kind bij haar moeder heeft bepaald. In de gegeven omstandigheden is het hof van oordeel dat die vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het kind sedert het uiteengaan van partijen bij de moeder verblijft en door haar wordt verzorgd, dat het kind mede Spaanstalig is opgevoed, dat de advocaat van de moeder ter zitting heeft verklaard te hebben vernomen dat de moeder inmiddels een eigen winkel heeft en voldoende tijd heeft om [naam minderjarige dochter] te verzorgen, dat de vader voltijds werkt en hij ter zitting heeft verklaard dat, indien het hoofdverblijf van [naam minderjarige dochter] bij hem zou worden bepaald, hij de verzorging van [naam minderjarige dochter] voor een groot gedeelte aan zijn familie zou overlaten, dat de vader ter zitting voorts heeft aangegeven niet te twijfelen aan de opvoedingskwaliteiten van moeder en dat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg kan worden afgeleid dat de vader bij die gelegenheid heeft verklaard dat hij in had kunnen stemmen met een hoofdverblijf van [naam minderjarige dochter] bij de moeder in combinatie met een omgangsregeling tussen [naam minderjarige dochter] en hem, in de situatie dat de moeder in Nederland zou zijn gebleven. Ook hetgeen de vader overigens heeft aangevoerd rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet de conclusie dat een wijziging in de hoofdverblijfplaats thans in het belang van [naam minderjarige dochter] zou zijn.
4.7. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. In de aard van de procedure ziet het hof aanleiding de proceskosten te compenseren.
5. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Roermond van 19 januari 2005;
compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Kranenburg, Lamers en Van Soest-Van Dijkhuizen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 28 juni 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.