ECLI:NL:GHSHE:2005:AU3575
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van tijdigheid en motivering van belastingaanslag en heffingsrente
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de aanslag inkomstenbelasting en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente over het jaar 2002. Hij klaagde dat de aanslag onredelijk laat was vastgesteld, waardoor hij de belastingschuld niet vóór 31 december 2003 kon betalen, wat invloed had op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen en leidde tot hogere heffingsrente.
Het hof oordeelde dat de aanslag binnen de wettelijke termijn van drie jaar na het einde van het belastingjaar was vastgesteld, namelijk binnen 14 maanden na afloop van het tijdvak en binnen acht maanden na indiening van de aangifte. Het feit dat de aanslag mogelijk enkele maanden eerder kon zijn vastgesteld, leidt niet tot onredelijkheid. Daarnaast is het volgens het hof aan de wetgever om te bepalen hoe belastingschulden worden betrokken bij de rendementsgrondslag, en de rechter kan de redelijkheid van de wet niet toetsen.
Verder wees het hof het beroep af dat de Inspecteur tekort was geschoten door geen voorlopige aanslag vast te stellen, omdat de opmerking "svp: snelle afhandeling!" op de aangifte geen duidelijk verzoek tot voorlopige aanslag vormde. Ten slotte stelde het hof dat belanghebbende niet benadeeld wordt door de heffingsrente, omdat hij gedurende de periode van uitstel beschikking had over het bedrag van de belastingschuld.
Het hof verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag en heffingsrente.