ECLI:NL:GHSHE:2005:AU4730
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P.J.M. Bongaarts
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing rangorderegeling en rendementsgrondslag minderjarige kinderen in inkomstenbelasting 2001
Belanghebbende was het niet eens met de aanslag inkomstenbelasting 2001, waarbij zowel arbeidsinkomsten als rente werden belast in box 1 en daarnaast een rendementsgrondslag werd toegerekend in box 3. Hij stelde dat de rangorderegeling in artikel 2.14 Wet IB 2001 dubbele belasting over hetzelfde voordeel moet voorkomen, waardoor gespaarde arbeidsinkomsten en ontvangen rente niet in box 3 belast mogen worden. Tevens betwistte hij dat de rendementsgrondslag van zijn minderjarige kinderen zonder aftrek van het heffingvrij vermogen aan hem als ouder werd toegerekend.
Het hof oordeelde dat artikel 2.14 Wet IB 2001 beoogt dubbele belasting over hetzelfde voordeel te voorkomen, maar dat in deze casus sprake is van verschillende voordelen: de arbeidsinkomsten en rente worden in box 1 belast, terwijl de vruchten van het sparen daarvan als nieuwe voordelen in box 3 kunnen worden belast. De rangorderegeling staat dit niet in de weg. Daarnaast stelde het hof vast dat de rendementsgrondslag van minderjarige kinderen op grond van artikel 2.15, tweede lid, Wet IB 2001 aan de ouder wordt toegerekend zonder aftrek van het heffingvrij vermogen waarop het kind aanspraak kan maken.
Het beroep van belanghebbende werd daarom ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd. Het hof zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak verving een eerdere mondelinge uitspraak en is vatbaar voor cassatie bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de aanslag inkomstenbelasting 2001.