ECLI:NL:GHSHE:2005:AU5238

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
20-003230-04
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Lange
  • Harmsen
  • Van de Loo
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c SrArt. 1 Wet op de economische delicten (oud)Art. 2 Wet op de economische delicten
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak asbestverontreiniging en veroordeling voor illegale tewerkstelling vreemdelingen

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor twee hoofdpunten: het saneren van asbest zonder bevoegd bedrijf en het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder vergunning. Het hof oordeelde dat onvoldoende bewijs was geleverd dat verdachte asbestvezels op of in de bodem of lucht had gebracht, noch dat hij in eerste instantie had geweigerd asbestrestanten direct op te ruimen. Ook was niet bewezen dat het opruimen door niet-gekwalificeerde personen milieuschade veroorzaakte.

Wel werd vastgesteld dat verdachte op 26 maart 2003 twee Iraakse vreemdelingen arbeid had laten verrichten zonder de vereiste vergunning van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De relatie tussen verdachte en deze arbeidskrachten kwalificeerde hem als werkgever in de zin van de Wet arbeid vreemdelingen.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor het asbestfeit en sprak verdachte daarvan vrij. Voor het tweede feit werd verdachte veroordeeld tot twee geldboetes van elk € 2.200, te vervangen door hechtenis bij niet-betaling. De strafbepalingen zijn gebaseerd op de Wet arbeid vreemdelingen en de Wet op de economische delicten.

De beslissing weerspiegelt een zorgvuldige afweging van bewijs en wettelijke normen, waarbij het hof de strafrechtelijke aansprakelijkheid van verdachte voor de illegale tewerkstelling bevestigde, maar de milieudelicten niet bewezen achtte.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van asbestverontreiniging maar veroordeeld tot twee geldboetes wegens illegale tewerkstelling van vreemdelingen.

Uitspraak

Parketnummer: 20-003230-04
Uitspraak : 14 oktober 2005
TEGENSPRAAK
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
economische kamer
Arrest
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer in de Rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 april 2004 in de strafzaak met parketnummer 01-075228-03 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943,
wonende te [adres].
Hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.
Tenlastelegging
Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:
1. hij in of omstreeks de periode van 24 maart 2003 tot en met 27 maart 2003 in de gemeente Eindhoven, op of nabij de Eckartseweg, (een) asbest(verontreiniging) heeft gesaneerd, althans laten saneren, zonder tussenkomst van een daartoe bevoegd bedrijf, zijnde het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten dat wederrechtelijk een stof, te weten asbest(vezels), op of in de bodem en/of in de lucht werd(en) gebracht, zulks terwijl hij wist, althans ernstige reden had om te vermoeden, dat daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor een ander te duchten was;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 24 maart 2003 tot en met 27 maart 2003, in de gemeente Eindhoven, op of nabij de Eckartseweg, als degene bij wie afvalstoffen, te weten asbest(resten) na een brand, waren ontstaan, handelingen met betrekking tot die afvalstoffen heeft verricht en/of nagelaten, bestaande uit het in eerste instantie weigeren om die asbest(resten) direct op te laten ruimen en/of (vervolgens) om die asbest(resten) op te (laten) ruimen door een of meer niet daarin gekwalificeerde perso(o)n(en), terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden, althans konden ontstaan;
2. hij op of omstreeks 26 maart 2003 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, als werkgever (een) vreemdeling(en), te weten [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2], (beiden) van Iraakse nationaliteit, arbeid heeft doen verrichten op of nabij de Eckartseweg, zonder vergunning van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. In het bijzonder acht het hof niet overtuigend bewezen:
- ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde: dat door de in de tenlastelegging omschreven gedraging asbest(vezels) op of in de bodem en/of in de lucht werd(en) gebracht;
- ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde: dat verdachte in eerste instantie heeft geweigerd de asbestrestanten direct op te ruimen, nu verdachte door de gemeente een termijn was gegund om de restanten op te (laten) ruimen. Voorts acht het hof niet bewezen dat met het opruimen door niet-gekwalificeerde personen nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden, althans konden ontstaan. Bewijs daarvoor is er evenmin te vinden in hetgeen de verbalisanten hebben gerelateerd omtrent het concrete handelen van de niet-gekwalificeerde personen. Hierbij neemt het hof mede in ogenschouw dat geen rechtsregel verdachte verplicht gebruik te maken van gekwalificeerde personen in een situatie als de onderhavige.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2. hij op 26 maart 2003 te Eindhoven, als werkgever vreemdelingen, te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2], beiden van Iraakse nationaliteit, arbeid heeft doen verrichten op of nabij de Eckartseweg, zonder vergunning van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt het volgende:
- verdachte heeft de twee personen met de Irakese nationaliteit, genoemd in het onder 2 ten laste gelegde, gevraagd om voor hem, verdachte, arbeid te verrichten, bestaande uit het opruimen van afval van een brand, waaronder asbest(resten);
- verdachte zou hun daarvoor EUR 20,- per persoon betalen;
- verdachte heeft hun aanwijzingen gegeven hoe zij bij hun opruimwerkzaamheden te werk moesten gaan.
Gelet op deze feiten en omstandigheden, is het hof van oordeel dat de feitelijke verhouding tussen verdachte en de twee genoemde arbeidskrachten zodanig was, dat verdachte moet worden aangemerkt als "werkgever" in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen juncto artikel 1 (oud), aanhef en onder 4, en 2, vierde lid, van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 4, van de Wet op de economische delicten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen straf of maatregel
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voorzover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 (oud), 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2 van Pro de Wet arbeid vreemdelingen.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart dat het onder 2 bewezen verklaarde oplevert:
Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen, tweemaal gepleegd.
Verklaart verdachte deswege strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot twee geldboetes, elk van EUR 2.200,00 (tweeduizend tweehonderd euro), telkens bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 44 (vierenveertig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. De Lange, voorzitter,
mrs. Harmsen en Van de Loo, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. Kroes, griffier,
en op 14 oktober 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.