ECLI:NL:GHSHE:2005:BN3786

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
20 januari 2005
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02/03757
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P.J.M. Bongaarts
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 8:75 AwbArt. 68 Invorderingswet 1990
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijk geschil over ontvankelijkheid bezwaar en rechtmatigheid successieaanslag

Belanghebbende, erfgenaam van een nalatenschap, had bezwaar gemaakt tegen een successieaanslag die hem niet persoonlijk was toegezonden, waardoor hij meende niet tijdig bezwaar te kunnen maken. De Inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de termijn.

Het hof oordeelt dat het aanslagbiljet niet is verzonden naar een notaris of gemachtigde met voldoende kennis, en dat de ontvanger niet heeft voldaan aan het zorgvuldigheidsbeginsel door niet te informeren dat anderen over de aanslag geïnformeerd moesten worden. Hierdoor is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding en wordt belanghebbende alsnog ontvankelijk verklaard.

De inhoudelijke klacht van belanghebbende dat de successieaanslag onrechtmatig is wegens dubbele belastingheffing wordt door het hof verworpen. De aanslag wordt gehandhaafd en belanghebbende krijgt vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 20 januari 2005.

Uitkomst: Belanghebbende wordt ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar, maar de aanslag wordt gehandhaafd.

Uitspraak

BELASTINGKAMER
Nr. 02/03757
HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH
PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK
Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vijfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer A te Y, in zijn hoedanigheid van erfgenaam van X, overleden op 18 november 2000 (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren Z van de rijksbelastingdienst (hierna: evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Q van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in het recht van successie verschuldigd over zijn verkrijging uit de nalatenschap van genoemde erflater, aanslagnummer 0.00.000.0000 (hierna: de aanslag).
Het onderzoek ter zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 6 januari 2005 te ‘s Hertogenbosch.
Aldaar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur.
Belanghebbende is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.
Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 20 januari 2005, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.
De beslissing
Het Hof:
- verklaart het beroep gegrond,
- vernietigt de bestreden uitspraak,
- verklaart belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaar,
- handhaaft de bestreden aanslag,
- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,=, en
- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden
De gronden voor de beslissing
1. Het geschil betreft – naar het Hof verstaat - het antwoord op de volgende vragen:
- Is belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaar?
- Zo ja, is de aanslag terecht opgelegd?
2.1. De Inspecteur heeft het op 19 april 2002 bij hem binnengekomen, tegen de aanslag gerichte, bezwaarschrift wegens overschrijding van de termijn om bezwaar in te dienen niet-ontvankelijk verklaard.
2.2. Belanghebbende is van mening dat hij, nu deze aanslag hem niet persoonlijk is toegestuurd, niet voldoende in de gelegenheid is gesteld om, binnen welke termijn dan ook, een bezwaarschrift in te dienen tegen de aanslag. Hieruit begrijpt het Hof dat belanghebbende een beroep doet op een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
2.3. Vast staat dat het aanslagbiljet niet is verzonden naar een notaris of een gemachtigde die voor wat betreft kennis en ervaring op het gebied van de heffing en invordering van successierecht met een notaris op één lijn staat. In een zodanig geval oordeelt het Hof - in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 16 maart 1994 nr. 29613 - dat het tot de beginselen van behoorlijk bestuur behorende zorgvuldigheidsbeginsel met zich meebrengt dat als de ontvanger op de voet van artikel 68 van Pro de Invorderingswet 1990 een aanslagbiljet waarop verschillende aanlagen zijn verenigd, naar de gekozen woonplaats verzendt, hij aan de geadresseerde meedeelt dat de personen aan wie de aanslag is opgelegd daarover tijdig moeten worden geïnformeerd. Uit de stukken van het geding en de toelichting van de Inspecteur daarop ter zitting blijkt niet eenduidig dat de Ontvanger degene aan wie hij het aanslagbiljet heeft toegezonden heeft geïnstrueerd als hiervoor bedoeld.
Op grond van het vorenstaande acht het Hof een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 Awb Pro derhalve aanwezig en verklaart het Hof belanghebbende alsnog ontvankelijk in zijn bezwaar.
3.1. Belanghebbende is voorts van mening dat de aanslag ten onrechte is opgelegd en voert hiertoe in zijn beroepschrift het volgende aan:
“1) de successie slaat nog op het vermogen van mijn ouders: de heffing is onwettig wegens het heffen van dubbele belasting, immers er is over dit vermogen reeds dubbele belasting geheven te weten inkomsten-, vermogensbelasting.”
3.2. Naar het oordeel van het Hof vindt de onder 3.1. vermelde opvatting van belanghebbende geen steun in het recht.
4. Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als hiervoor is vermeld.
De proceskosten
Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
Aldus gedaan door P.J.M. Bongaarts, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van L. Abbing-van Kleef, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2005.
Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden
op: 1 februari 2005
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in
cassatie is gericht.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.
Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid alsnog de gronden voor het beroep in cassatie aan te voeren.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.