ECLI:NL:GHSHE:2006:AV0019
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Koster-Vaags
- Slootweg
- Maes
- Rechtspraak.nl
Beoordeling appelverbod tussenbeschikking in ontbindingsprocedure arbeidsovereenkomst
In deze zaak stond de vraag centraal of het appelverbod van art. 358 lid 4 Rv Pro ten aanzien van tussenbeschikkingen doorbroken kan worden wanneer de kantonrechter onjuist heeft geoordeeld over zijn rechtsmacht. De kantonrechter had zich bevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, waarna een tussenbeschikking werd gegeven.
Appellant stelde dat het appelverbod doorbroken moest worden omdat de kantonrechter ten onrechte rechtsmacht had aangenomen, waardoor hij buiten het toepassingsgebied van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zou zijn getreden. Het hof oordeelde echter dat de doorbraakjurisprudentie van de Hoge Raad, die in andere contexten het appelverbod kan doorbreken, niet van toepassing is op art. 358 lid 4 Rv Pro.
Het hof benadrukte dat het appelverbod bedoeld is om onnodige verlenging van rekestprocedures te voorkomen en misbruik te vermijden. Fundamentele schendingen van behoorlijke rechtspleging kunnen alsnog worden gecorrigeerd bij het hoger beroep tegen de eindbeschikking. Daarom werd appellant niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de tussenbeschikking en verwezen het hof de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de tussenbeschikking wegens het appelverbod van art. 358 lid 4 Rv.