ECLI:NL:GHSHE:2006:AV0024
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Koster-Vaags
- Slootweg
- Maes
- Rechtspraak.nl
Beoordeling appelverbod tussenbeschikking in hoger beroep ontbinding arbeidsovereenkomst
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of het appelverbod van art. 358 lid 4 Rv Pro doorbroken kon worden bij hoger beroep tegen een tussenbeschikking van de kantonrechter over de ontbinding van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter had zich bevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding, waarna appellant hoger beroep instelde tegen die tussenbeschikking.
Appellant stelde dat het appelverbod niet van toepassing was omdat de kantonrechter onjuist had geoordeeld over zijn rechtsmacht, waardoor hij buiten het toepassingsgebied van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering was getreden. Het hof overwoog echter dat de doorbraakjurisprudentie, die in andere contexten het appelverbod kan doorbreken, niet van toepassing is op het appelverbod van art. 358 lid 4 Rv Pro. Dit verbod dient om onnodige verlenging van rekestprocedures te voorkomen.
Het hof concludeerde dat appellant niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen de tussenbeschikking en veroordeelde hem in de proceskosten. De zaak werd terugverwezen naar de rechtbank voor verdere berechting. Het oordeel bevestigt dat fundamentele schendingen in tussenbeschikkingen pas in hoger beroep tegen de eindbeschikking aan de orde kunnen komen.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen de tussenbeschikking vanwege het appelverbod van art. 358 lid 4 Rv.