ECLI:NL:GHSHE:2006:AW1763

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
20-00350-04
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197a WvSrArt. 6 Politiewet 1993Art. 141 SvArt. 344, eerste lid, onder 5 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid Koninklijke Marechaussee bij opsporing Opiumwet overtreding

In deze strafzaak stond de vraag centraal of ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee bevoegd waren tot het zelfstandig verrichten van opsporingshandelingen in verband met een vermoedelijke overtreding van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht, gerelateerd aan de Opiumwet.

De doorzoeking van een woning vond plaats door marechaussees die bevoegd waren om op te treden bij het stuiten op strafbare feiten tijdens hun politietaken. Echter, het vervolgonderzoek naar de vermoedelijke overtreding van de Opiumwet werd zonder samenwerking met de politie zelfstandig door de marechaussees uitgevoerd, wat volgens het hof niet toegestaan is.

De rechtbank had geoordeeld dat de marechaussees bevoegd waren, mede vanwege toestemming van de rechter-commissaris en overleg met de politie, maar het hof verwierp dit standpunt. Het hof bevestigde dat de marechaussees alleen bevoegd zijn tot assistentie bij grensoverschrijdende criminaliteit en niet zelfstandig opsporingsonderzoek mogen verrichten zonder politie.

Daarom kunnen de processen-verbaal die door de marechaussees zijn opgemaakt in dit kader niet als bewijs dienen. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank voor zover het oordeel betreft dat de marechaussees onbevoegd waren en vernietigde het bewijs dat op die onrechtmatigheid berust.

De verdachte werd uiteindelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek van voorarrest.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest vanwege onbevoegd optreden van de marechaussee bij opsporing.

Uitspraak

Parketnummer: 20-003508-04
Uitspraak : 7 april 2006
TEGENSPRAAK
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van
9 juli 2004 in de strafzaak met parketnummer 03-005230-04 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
[adres],
thans uit anderen hoofde verblijvende in [detentieadres]
Hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de beslissing omtrent hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd en hem zal veroordelen tot 6 maanden gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest.
Vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft als volgt overwogen.
Aan de rechtbank is gebleken dat alle handelingen in het kader van het opsporingsonderzoek zonder uitzondering zijn verricht door ambtenaren van de Koninklijke marechaussee.
De vraag rijst of de betreffende ambtenaren van de Koninklijke marechaussee daartoe bevoegd waren.
De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.
Uit het bepaalde in artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafvordering volgt dat met de opsporing van strafbare feiten onder meer zijn belast, voor de door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Defensie te bepalen gevallen: de (...) onderofficieren van de Koninklijke marechaussee. Uit de aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee d.d. 29 maart 1994 (Stcrt. 1994, 53) volgt dat onderofficieren der Koninklijke marechaussee opsporingsbevoegd zijn indien zij werkzaam zijn in de uitoefening van de taken opgedragen bij artikel 6 van Pro de Politiewet 1993.
Ingevolge artikel 6, vierde lid, van de Politiewet zijn de hiervoor bedoelde ambtenaren van de Koninklijke marechaussee tevens bevoegd tot optreden in de gevallen dat zij bij de uitoefening van de aan hen opgedragen politietaken stuiten op strafbare feiten. De doorzoeking op 23 maart 2004 in de woning aan het [adres 2] te [woonplaats] vond plaats in het kader van een onderzoek naar een vermoedelijke overtreding van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht.
Toen aldaar de verpakkingsmaterialen, drukpers en poeders, waarvan het vermoeden bestond dat het middelen als bedoeld in de Opiumwet betrof, werden aangetroffen bestond die bevoegdheid tot optreden aan de zijde van de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee.
Gelet op deze bevoegdheid tot optreden is naar het oordeel van de rechtbank de in de
woning aangetroffen persoon bevoegdelijk aangehouden en zijn de maatregelen die nodig waren om wegmaking, onbruikbaarmaking, onklaarmaking of beschadiging van de voor inbeslagneming vatbare voorwerpen te voorkomen evenzeer bevoegdelijk genomen.
Terecht is daarna contact genomen met de inspecteur van de Regiopolitie Limburg-Zuid, immers uit meerbedoeld artikel 6, vierde lid, van de Politiewet volgt niet de bevoegdheid tot het daarop gevolgde optreden van de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee inzake de opsporing van de vermoedelijke overtredingen van de Opiumwet.
De in het kader van die opsporing vervolgens door de ambtenaren van de Koninklijke
marechaussee ondernomen activiteiten zijn immers niet zozeer verweven met en bouwen niet zodanig voort op de ontdekking van de vermoedelijke overtreding van de Opiumwet dat overdracht van het onderzoek aan de politie een doelmatige opsporing in de weg zou staan.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d., van de Politiewet 1993 is aan de Koninklijke marechaussee op het terrein van grensoverschrijdende criminaliteit een eigen taak toebedeeld, zij het dat die taak niet zelfstandig kan worden uitgeoefend, doch alleen bij wijze van assistentieverlening, zulks in samenwerking met de politie. Van een zodanige samenwerking is in het onderhavige geval echter niet gebleken. In het proces-verbaal is gerelateerd dat na de vondst van de voorwerpen waaruit een vermoeden ontstond van een overtreding van de Opiumwet, overleg heeft plaats gevonden met een inspecteur van de Politieregio Limburg-Zuid en dat door de rechter-commissaris van de rechtbank te Maastricht aan een opperwachtmeester van de Koninklijke marechaussee, tevens hulpofficier van justitie, mondeling toestemming is verleend tot het doorzoeken van de voormelde woning.
Echter, besloten is om het onderzoek naar deze overtredingen van de Opiumwet, zoals in het proces-verbaal van 14 mei 2004 treffend wordt uitgedrukt, 'zelf te verrichten'.
Een en ander leidt de rechtbank tot het oordeel dat de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee, die in de onderhavige zaak zijn opgetreden in het kader van de opsporing van overtredingen van de Opiumwet, op dat punt onbevoegd zijn opgetreden.
De door hen ter zake daarvan opgemaakte processen-verbaal kunnen derhalve voor het bewijs van het ten taste gelegde niet dienen.
Voor zover het gebruik van bedoelde stukken niet reeds afstuit op de onrechtmatigheden in de verkrijging van de daarin verwoorde gegevens zijn het 'andere geschriften', zoals bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder vijfde, van het Wetboek van Strafvordering, welke echter dan nog uitsluitend kunnen gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
Het hof verenigt zich geheel met deze beslissing, waarbij het hof op basis van het dossier heeft geconstateerd dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde geen militair was.
Het hof merkt hierbij nog op dat noch het genoemde overleg met de inspecteur van politie noch de mondelinge toestemming van de rechter-commissaris tot gevolg kunnen hebben dat de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee het betreffende onderzoek bevoegdelijk hebben verricht.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis, waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Aldus gewezen door
mr. J.M.W.M. van den Elzen, voorzitter, mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. S.B.M. Voorhoeve,
in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, griffier,
en op 7 april 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S.B.M. Voorhoeve is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
??
??
??
??
- 2 - 20-003508-04