ECLI:NL:GHSHE:2006:AW3655

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R200501150
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Teeffelen
  • Philips
  • Enkelaar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:199 BWArt. 1:253c BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Man niet-ontvankelijk in verzoek tot mede-gezag wegens ontbreken juridisch vaderschap

De man heeft bij de rechtbank verzocht om het mede-gezag over zijn zoon toe te kennen en het hoofdverblijf bij hem te bepalen. De rechtbank heeft hem niet-ontvankelijk verklaard omdat hij niet de juridische vader is van het kind. Het kind is buiten het huwelijk geboren, niet erkend door de man en het vaderschap is niet gerechtelijk vastgesteld.

In hoger beroep heeft de man aangevoerd dat hij met de moeder en het kind heeft samengewoond en voor het kind heeft gezorgd, en dat de moeder geen vaste verblijfplaats heeft. Het hof heeft overwogen dat het verzoek alleen kan slagen indien de man juridisch vader is, wat niet het geval is. De man heeft weliswaar het biologische vaderschap aangetoond, maar dit leidt niet tot familierechtelijke erkenning.

Het hof heeft daarom de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Maastricht van 4 augustus 2005. De procedure tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is de juiste weg volgens het hof.

Uitkomst: De man wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot mede-gezag omdat hij niet de juridische vader is.

Uitspraak

RvZ
15 februari 2006
Rekestenkamer
Rekestnummer R200501150
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Beschikking
In de zaak in hoger beroep van:
[Appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
de man,
procureur mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,
t e g e n
[Geintimeerde]
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
de vrouw.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 4 augustus 2005, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 2 november 2005, heeft de man verzocht om de beschikking waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:
- aan de man het mede-gezag over [minderjarige zoon], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats], wordt toegekend,
- het hoofdverblijf van [minderjarige zoon] bij de man zal zijn.
2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 januari 2006. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de man en zijn advocaat mr. Vlis-Vlaspoel;
- de vrouw;
- de heer Werger, namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 21 juli 2005.
3. De gronden van het hoger beroep
Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.
4. De beoordeling
4.1. Uit de affectieve relatie van partijen is op [geboortejaar] [minderjarige zoon] (hierna te noemen: [X.]) geboren. In juni 2004 hebben partijen de relatie beëindigd. De vrouw is met het eenhoofdig gezag over [X.] belast. [X.] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw. De man heeft [X.] niet erkend.
4.2. Op 22 september 2004 heeft de man de rechtbank verzocht hem te belasten met het gezag over [X.] en tevens het hoofdverblijf van [X.] bij de man te bepalen. De kantonrechter te Maastricht heeft bij beschikking waarvan beroep de man niet ontvankelijk verklaard in dit verzoek.
4.3. De kantonrechter heeft hiertoe overwogen dat het verzoek van de man slechts kan slagen wanneer vaststaat dat de man de tot het gezag bevoegde vader is en hij nimmer het gezamenlijk gezag met de vrouw heeft uitgeoefend. Met “vader” wordt bedoeld de juridisch vader, die in familierechtelijke betrekking staat met zijn kind. Buiten huwelijk is dit de man die het kind heeft erkend of van wie het vaderschap gerechtelijk is vastgesteld. [X.] is door de man niet erkend en zijn vaderschap is evenmin gerechtelijk vastgesteld. De man heeft weliswaar aangetoond de biologische vader van [X.] te zijn, maar dit betekent niet dat daarmee ook is komen vast te staan dat hij in een familierechtelijke betrekking staat tot [X.] als bedoeld in artikel 1:199 BW Pro. De man kan zich niet verenigen met deze beslissing en komt hiervan in beroep.
4.4. In zijn beroepschrift stelt de man, dat hij na de geboorte van [X.] met de vrouw en [X.] heeft samengewoond en dat hij sedert de geboorte voor hem heeft gezorgd. Volgens de man heeft de vrouw na het verbreken van de relatie [X.] aan hem toevertrouwd, waarna hij [X.] verzorgd heeft met hulp van de grootouders vaderszijde. De vrouw heeft volgens de man geen vaste woon- of verblijfplaats en zwerft met het kind rond. De man maakt zich aldus zorgen om [X.].
4.5. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht overweegt het hof als volgt.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de man geen juridisch vader is van [X.], nu [X.] niet binnen een huwelijk is geboren, de man [X.] niet heeft erkend en hij nimmer samen met de vrouw het gezag over [X.] heeft uitgeoefend overeenkomstig artikel 1:253c BW. Ter zitting heeft de man het hof te kennen gegeven reeds een verzoek te hebben ingediend bij de rechtbank tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Het hof is van oordeel dat de man de juiste weg is ingeslagen door voornoemde procedure in gang te hebben gezet. Nu de man thans niet kan aantonen dat hij de juridisch vader is van [X.], zal het hof de man niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde beroep.
5. De beslissing
Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Maastricht van 4 augustus 2005.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Philips en Enkelaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 februari 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.