ECLI:NL:GHSHE:2006:AW4122
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Hendriks-Jansen
- Fikkers
- Spoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bodemzaken en wettelijke rente in faillissementsprocedure aannemingsbedrijf
In deze faillissementsprocedure stond centraal of de door de curator verkochte zaken kwalificeren als bodemzaken volgens art. 22 lid 3 van Pro de Invorderingswet. Het hof onderzocht de aard en het gebruik van de zaken, waarbij onderscheid werd gemaakt tussen zaken die duurzaam het bedrijfspand of terrein dienen en voorraden of extern gebruikte zaken.
Het hof concludeerde dat een groot deel van de zaken geen bodemzaken zijn, waaronder voertuigen en machines die extern worden gebruikt, terwijl zaken die intern op het terrein worden gebruikt, zoals een aggregaat en bepaalde inventaris, wel als bodemzaken werden aangemerkt. De opbrengst van niet-bodemzaken moet aan de Rabobank worden afgedragen.
Daarnaast werd geoordeeld dat de wettelijke rente pas verschuldigd is vanaf 9 maart 2001, de datum waarop de curator in verzuim raakte. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank in conventie, vernietigde het in reconventie en veroordeelde de curator tot betaling aan de Rabobank, met rente en kostenveroordelingen.
De curator werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, terwijl de Rabobank in de kosten van de eerste aanleg in reconventie werd veroordeeld. Het arrest werd uitgesproken op 28 februari 2006 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat niet alle verkochte zaken bodemzaken zijn en veroordeelt de curator tot betaling aan de Rabobank met rente vanaf 9 maart 2001.