ECLI:NL:GHSHE:2006:AY9440

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
19 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
20.000020-98
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 575 SvArt. 24b Sr
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel schadevergoedingsmaatregel

Veroordeelde heeft verzet aangetekend tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat verband houdt met een schadevergoedingsmaatregel opgelegd bij onherroepelijk arrest. Deze maatregel hield een betalingsverplichting in van Fl. 5.367,32, te voldoen aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, met vervangende hechtenis bij niet-betaling.

Na meerdere aanmaningen en een betalingsregeling die niet werd nagekomen, is het dwangbevel uitgevaardigd en beslag gelegd op het AOW-pensioen van veroordeelde. Veroordeelde stelde dat hij had gekozen voor het ondergaan van vervangende hechtenis, waardoor de betalingsverplichting zou zijn komen te vervallen, en dat hij de betaling wilde voldoen zodra hij een erfenis ontving.

Het hof oordeelt dat de keuze voor vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft volgens artikel 36f, zesde lid, Wetboek van Strafrecht. Daarnaast is het feitelijk niet aannemelijk gemaakt dat veroordeelde de vervangende hechtenis heeft ondergaan. Het hof verklaart het verzet daarom ongegrond en bevestigt de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.

Uitkomst: Het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Zaaknummer: 008316-06
Parketnummer: 20/000020-98
Uitspraakdatum: 19 september 2006
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
raadkamer
BESCHIKKING OP VERZET TEGEN DE TENUITVOERLEGGING VAN EEN DWANGBEVEL
Beschikking op het op 10 januari 2006 ter griffie van dit hof ontvangen bezwaarschrift van:
[veroordeelde/verzoeker]
geboren te [geboorteplaats] (Spanje), op [geboortedatum] 1938,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
thans verblijvende in PI Haaglanden te Zoetermeer.
Het bezwaarschrift is gericht tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel overeenkomstig
artikel 575 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Onderzoek van de zaak
Het bezwaarschrift is op 19 september 2006 door de raadkamer van dit hof in het openbaar behandeld.
Het hof heeft kennis genomen van de conclusie van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verzoeker naar voren is gebracht.
De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot ongegrondverklaring van het verzet.
Beoordeling
Bij onherroepelijk arrest van dit hof van 18 november 1998, parketnummer 20.000020.98, is verzoeker onder andere de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ten behoeve van het [slachtoffer] van een bedrag van Fl. 5.367,32 (EUR 2.435,58), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 50 dagen.
Het vonnis is ter executie overgedragen aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: CJIB).
Op 4 november 1999 is door het CJIB aan verzoeker een eerste aanschrijving verzonden met daaraan gehecht een acceptgirokaart ten bedrage van Fl. 5.367,32.
Omdat het schadevergoedingsbedrag niet tijdig werd voldaan, is aan verzoeker op 18 maart 2000 een aanmaning verzonden en is het bedrag conform artikel 24b lid 1 Wetboek van Strafrecht verhoogd.
Aangezien op de vervaldatum het verhoogde bedrag niet was voldaan, werd conform artikel 24b lid 2 Wetboek van Strafrecht het bedrag verder verhoogd met een vijfde.
Verzoeker is hiervan in kennis gesteld door een tweede aanmaning die op 10 mei 2000 aan hem is verzonden. Op verzoek van veroordeelde is vervolgens een betalingsregeling tot stand gekomen. Veroordeelde is deze betalingsregeling niet op de juiste wijze nagekomen, waarop de betalingsregeling is beëindigd en aan veroordeelde op 9 december 2000 een nieuwe tweede aanmaning is verzonden. Omdat veroordeelde nalatig bleef de maatregel tijdig te voldoen, is een dwangbevel uitgevaardigd. Dit dwangbevel is op 19 november 2001 ingetrokken nadat gebleken was dat veroordeelde nog steeds gedetineerd was. De zaak is door het CJIB voor de duur van één jaar in de wachtstand gezet.
Op 20 september 2003 heeft het CJIB wederom een tweede aanmaning verzonden.
Omdat verzoeker nalatig bleef de schadevergoeding en de verhogingen volledig te voldoen, is een dwangbevel uitgevaardigd en is door de gerechtsdeurwaarder beslag gelegd op het AOW-pensioen van veroordeelde bij de Sociale Verzekeringsbank.
Bij bezwaarschriften, gedateerd 5 december 2005 en gericht aan onderscheidenlijk het Ministerie van Justitie en het CJIB, heeft de veroordeelde tegen die beslaglegging verzet gedaan.
Het hof gaat er van uit dat de veroordeelde kennelijk heeft beoogd verzet te doen bij de instelling, zijnde dit gerechtshof, die daarop volgens de wet moet beslissen.
Voorts gaat het hof bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel - bij het onderzoek in raadkamer is de datum van de onderhavige beslaglegging noch die van binnenkomst van de daartegen gerichte bezwaarschriften vastgesteld kunnen worden - er van uit dat het verzet tijdig binnen de bij artikel 575, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn is gedaan.
De veroordeelde kan bijgevolg in het verzet worden ontvangen.
Veroordeelde heeft ter onderbouwing van zijn verzet primair betoogd dat hij, zo begrijpt het hof, twee en een half jaar geleden er voor heeft getekend om de bij de verplichting tot schadevergoeding opgelegde vervangende hechtenis te ondergaan. Daarmede is de onderhavige betalingsverplichting komen te vervallen.
Het betoog faalt.
Immers, wat er zij van de stelling van veroordeelde dat hij heeft gekozen voor het ondergaan van de bij de verplichting tot schadevergoeding opgelegde vervangende hechtenis - waaromtrent overigens bij het onderzoek in raadkamer niets aannemelijk is geworden - zij is te dezen zonder betekenis, omdat ingevolge het bepaalde bij artikel 36f, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht de toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.
Veroordeelde heeft subsidiair betoogd dat hij de opgelegde betalingsverplichting wel wil nakomen, maar dat hij daartoe nog niet de mogelijkheid heeft omdat hij gelden, die hem uit een erfenis zouden toevallen, nog niet heeft ontvangen.
Ook dit betoog faalt.
Immers, wat er ook zij van eventuele toekomstige betalingsmogelijkheden, thans is slechts van belang dat veroordeelde in gebreke is gebleven aan de aan hem opgelegde betalingsverplichting te voldoen.
Gezien het vorenoverwogene moet het verzet ongegrond worden verklaard.
BESLISSING:
Het hof:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door
mr. H.D. Bergkotte, voorzitter,
mrs. J.P.F. Rijken en A.H. Klip,
in tegenwoordigheid van mr. C.P.J. Scheele, als griffier,
en uitgesproken ter openbare raadkamerzitting van dit gerechtshof van 19 september 2006.
Mr. A.H. Klip is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.