ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ3921
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P.J.M. Bongaarts
- Rechtspraak.nl
Geschil over natuurlijke verbintenis bij schenkingen binnen landbouwmaatschap
Belanghebbende, lid van een landbouwmaatschap die hij samen met zijn ouders en broer vormde, ontving in 2001 en 2002 schenkingen van zijn moeder nadat zij uit de maatschap was getreden. Het geschil betrof de vraag of deze schenkingen vrijgesteld zijn van schenkingsrecht omdat zij zouden zijn gedaan ter nakoming van een natuurlijke verbintenis.
Belanghebbende stelde dat er sprake was van een dringende morele verplichting binnen de familie om het levenswerk van de ouders voort te zetten en dat het geschonken geld uitsluitend voor het bedrijf werd gebruikt. De Inspecteur voerde aan dat de beoordeling objectief moet zijn en dat er geen vergelijkbare gevallen waren waarin een dergelijke morele verplichting werd aangenomen.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat er een morele verplichting van de vereiste aard bestond. Hoewel de moeder zich mogelijk persoonlijk gedrongen voelde, ontbrak het aan een objectief vast te stellen morele verplichting die volgens maatschappelijke opvattingen als voldoening van een prestatie kan worden aangemerkt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslagen worden gehandhaafd.