ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ3936
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Koster-Vaags
- Aarts
- Spoor
- Rechtspraak.nl
Afwijzing immateriële schadevergoeding wegens niet-toekenning VUT-regeling aan kantoorpersoneel
In deze civiele zaak vordert appellant [X.] immateriële schadevergoeding omdat NSI hem de VUT-regeling niet tijdig heeft toegekend. [X.] was sinds 1970 in dienst bij NSI als kantoorpersoneel en betwist dat de VUT-regeling, die volgens NSI alleen voor productiepersoneel geldt, op hem van toepassing was. De kantonrechter oordeelde dat [X.] als trendvolger recht had op de VUT-regeling vanaf de datum van vervroegd uittreden, niet vanaf het moment dat hij de regeling aanvankelijk had aangevraagd.
Het hof bevestigt dat de VUT-regeling inhoudt dat het dienstverband eindigt op de datum van vervroegd uittreden en dat het ontvangen van een VUT-uitkering niet verenigbaar is met het nog in dienst zijn bij de onderneming. Het feit dat NSI het verzoek van [X.] aanvankelijk ten onrechte afwees, leidt niet tot een recht op uitkering vanaf een eerdere datum.
De subsidiaire vordering tot immateriële schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen of strijd met goed werkgeverschap wordt afgewezen. Het hof oordeelt dat NSI in redelijkheid het standpunt kon innemen dat de regeling niet op [X.] van toepassing was en dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor immateriële schadevergoeding in deze situatie. De vordering wordt daarom afgewezen en [X.] wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot immateriële schadevergoeding af en bekrachtigt het vonnis dat de VUT-uitkering pas ingaat bij uitdiensttreding.