AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep inzake verrekening huwelijkse voorwaarden en vermogenstoerekening
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen en een finaal verrekenbeding. Na echtscheiding en convenant van 20 december 1998 ontstond discussie over de hoogte van het te verrekenen vermogen. De vrouw stelt dat het vermogen aanzienlijk hoger was dan de circa vier miljoen euro waarop het convenant was gebaseerd, en vordert een aanvullend bedrag op grond van wilsgebreken en redelijkheid en billijkheid.
De rechtbank wees deze vordering af. In hoger beroep voert de vrouw vijftien grieven aan en verzoekt zij incidenteel om een getuigenverhoor. De man betwist de vordering en stelt dat het vermogen gelijk is aan dat van het convenant. Het hof oordeelt dat het verschil in opgave van het vermogen niet is opgelost en dat mogelijk een deskundigenonderzoek noodzakelijk is.
Het hof wijst de incidentele vordering toe als verzoekschriftprocedure voor een voorlopig getuigenverhoor en gelast een mondelinge behandeling tegelijk met een comparitie van partijen. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor verdere procesafspraken. Verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering af en gelast een comparitie en deskundigenonderzoek voor nadere vaststelling van het vermogen.
Uitspraak
typ. JP
rolnr. C0500176/MA & rekestnr. R06/322/MA
ARREST tevens BESCHIKKING VAN HET GERECHTSHOF
's-HERTOGENBOSCH,
zevende kamer, van 18 april 2006,
gewezen in de zaak van:
[APPELLANTE],
wonende te [plaats],
appellante bij exploot van dagvaarding van 30 november 2004,
verder te noemen: de vrouw,
procureur: mr. W.A. de Vroom,
tegen:
[GEÏNTIMEERDE],
wonende te [plaats],
geïntimeerde bij gemeld exploot,
verder te noemen: de man,
procureur: mr. L.H.M. Zonnenberg,
op het hoger beroep van het onder zaaknummer 78481/HA ZA 02-927 door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 1 september 2004 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde.
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2. Het verloop van het geding in hoger beroep
2.1. Bij (voorwaardelijke; de inhoud van de voorwaarde wordt niet vermeld) memorie van grieven heeft de vrouw 15 grieven aangevoerd en tevens het houden van een getuigenverhoor incidenteel gevorderd. Zij concludeert in het incident tot het bevelen van een getuigenverhoor en in de hoofdzaak tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, naar het hof uit de appeldagvaarding begrijpt, kort gezegd, tot veroordeling van de man om haar E. 1.641.549,93 te betalen met nevenvorderingen.
2.2. De man heeft een memorie van antwoord in het incident genomen.
2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak in het incident gevraagd. In het procesdossier
van de vrouw ontbreekt de conclusie van dupliek; in dat van de man de appelstukken.
3. De beoordeling
3.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.
3.1.1. Partijen zijn gehuwd geweest onder huwelijkse voorwaarden welke kort gezegd inhielden de uitsluiting van elke gemeenschap van goederen, een periodiek en een finaal verrekenbeding (afrekening als waren partijen in gemeenschap gehuwd). De echtscheidingsbeschikking is op 18 maart 1999 ingeschreven.
3.1.2. Op 20 december 1998 hebben partijen een echtscheidingsconvenant ondertekend waarin onder meer uitvoering wordt gegeven aan het finaal verrekenbeding. Deze afrekening resulteerde in een vordering van de vrouw op de man van fl. 1.750.000,-. Op 25 november 1999 is een aanvullend convenant gesloten.
3.1.3. Stellende dat het vermogen van de man aanzienlijk groter was dan haar voorgehouden ten tijde van het sluiten van het convenant vordert de vrouw in de onderhavige procedure op grond van wilsgebreken (bedrog, dwaling, misbruik van omstandigheden en benadeling met meer dan een kwart) dan wel de redelijkheid en billijkheid onder meer een aanvullend bedrag. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen.
3.2. De incidentele vordering
3.2.1. De vrouw vordert bij wege van incident een getuigenverhoor te bevelen.
3.2.2. De man voert daartegen eerst aan dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij op de daarvoor dienende dag, na peremptoir te zijn gesteld, geen memorie van grieven heeft genomen. Dit verweer faalt. De enkele omstandigheid dat geen memorie van grieven wordt genomen na (hier: ambtshalve) peremptoir te zijn gesteld, brengt geen verlies mee van het recht op een later tijdstip alsnog van grieven te dienen.
3.2.3. Dan voert de man aan dat een (voorlopig) getuigenverhoor niet bij wege van incidentele vordering kan worden ingesteld, maar alleen bij verzoekschrift. Hij verbindt daaraan de conclusie dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar vordering. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
3.2.4. Het hof begrijpt de incidentele vordering als een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 186 lid 2 RvPro. De wetgever heeft voor deze aangelegenheid de verzoekschriftprocedure voorgeschreven. Anders dan de man meent leidt het verkeerd inleiden van het geding niet tot niet-ontvankelijk verklaring maar tot toepassing van artikel 69 RvPro (de wisselbepaling). Het hof zal de incidentele 'vordering' voortzetten als verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Verwijzing naar een andere kamer is niet nodig omdat deze kamer ook verzoekschriften kan behandelen. Het hof zal een mondelinge behandeling gelasten.
3.3. In de hoofdzaak
3.3.1. In de hoofdzaak zal het hof, alvorens de zaak naar rol te verwijzen voor het nemen van de memorie van antwoord, een comparitie van partijen gelasten opdat het hof nadere inlichtingen kunnen worden verschaft en de voortgang van het geding kan worden besproken.
3.3.2. De vrouw steunt haar vordering op de stelling dat het (finaal) te verrekenen vermogen aanzienlijk hoger was dan de ruim vier miljoen waarvan werd uitgegaan ten tijde van het convenant van 20 december 1998. Dit vermogen zou ruim 10 miljoen belopen. De man betwist weliswaar de stellingen van de vrouw, maar geeft niet aan hoe hoog dat vermogen in zijn visie dan wel was. Hij beperkt zich tot de stelling dat van dezelfde cijfers moet worden uitgegaan als die welke ten grondslag hebben gelegen aan het convenant. Indien partijen niet tot overeenstemming kunnen komen over de hoogte van het te verrekenen vermogen, zal wellicht een deskundigenonderzoek uitkomst moeten bieden.
3.4. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.
4. De uitspraak
Het hof:
recht doende in de dagvaardingsprocedure
bepaalt dat partijen in persoon en vergezeld door hun advocaat zullen verschijnen op de zitting van het hof (meervoudige kamer), te houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een nader te bepalen datum, met de hiervoor onder 3.3 vermelde doeleinden;
verwijst de zaak naar de rolzitting van 2 mei 2006 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten op in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;
bepaalt dat de procureur van de vrouw bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het (volledige) procesdossier in viervoud zal overleggen;
bepaalt dat de voorzitter van deze kamer na genoemde rolzitting dag en uur van de comparitie zal vaststellen;
in het incident
beveelt de voortzetting van de incidentele vordering als verzoekschriftprocedure;
recht doende in de verzoekschriftprocedure:
bepaalt dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden tegelijk met voormelde comparitie van partijen;
in de dagvaardingszaak en het incident:
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest, respectievelijk deze beschikking is gewezen respectievelijk gegeven door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 18 april 2006.