ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ8732
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.D. van Norden
- H.W.M. van Kesteren
- A.A. den Hartog
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op aftrek omzetbelasting bij gemengd gebruik onroerende zaken
Belanghebbende, een in Duitsland gevestigde onderneming die onroerende zaken in Nederland exploiteert, betwist een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 1998. De discussie betreft de wijze van berekening van de aftrek van voorbelasting bij gemengd gebruik van onroerende zaken, waarbij belanghebbende stelt dat de aftrek moet worden berekend op basis van de verhouding tussen de omzetten van belaste en vrijgestelde verhuur.
De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag vastgesteld op basis van het werkelijk gebruik van de onroerende zaken, waarbij de verhouding van vrijgestelde verhuurde vierkante meters ten opzichte van het totaal is gehanteerd. Belanghebbende beroept zich op paragraaf 23, lid 3, van de Toelichting aftrek voorbelasting, die volgens haar voorschrijft dat de Inspecteur alleen mag afwijken van de omzetverhouding indien de afwijking ten minste 10% bedraagt.
Het hof stelt vast dat artikel 11 en Pro 13 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 de systematiek bepalen voor de toerekening van aftrek, waarbij onroerende zaken afzonderlijk moeten worden beschouwd. De toelichting in paragraaf 23, lid 3, is niet van toepassing op individuele onroerende zaken, maar op het totaal van gemengd gebruikte goederen en diensten. Het beroep op gewekt vertrouwen faalt omdat belanghebbende niet redelijkerwijs mocht verwachten dat de Inspecteur binnen de 10%-norm zou afzien van herziening op basis van werkelijk gebruik.
Het hof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Daarnaast wijst het hof een verzoek tot vergoeding van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: De naheffingsaanslag omzetbelasting is terecht opgelegd op basis van werkelijk gebruik en het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.