ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ8735
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J. Swinkels
- Rechtspraak.nl
Waarde van het recht van gebruik en bewoning in de inkomstenbelasting
Belanghebbende heeft samen met haar echtgenoot een woning verkocht aan hun kinderen, waarbij zij het recht van gebruik en bewoning behielden. Het geschil betreft de waardering van dit recht voor de inkomstenbelasting over 2002. Belanghebbende stelt dat het recht van gebruik en bewoning een persoonlijk en niet-overdraagbaar recht is en daarom nihil moet worden gewaardeerd, gelijk aan huurders die volgens de wet nihil waardering krijgen.
Het hof stelt vast dat de waarde van de woning per 1 januari 2002 en 31 december 2002 € 235.900 respectievelijk € 243.000 bedraagt. De Inspecteur had een hogere waarde aangehouden dan belanghebbende had opgegeven. Het hof oordeelt dat het recht van gebruik en bewoning niet gelijkgesteld kan worden met een huurrecht, omdat het geen genotsrecht betreft dat tegen een zakelijke vergoeding wordt verleend die periodiek wordt betaald.
Op basis van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de parlementaire geschiedenis concludeert het hof dat het recht van gebruik en bewoning als een vermogensrecht moet worden gewaardeerd en niet nihil kan zijn. Het hof stelt de waarde van het recht vast op gemiddeld € 105.358 en vermindert de aanslag dienovereenkomstig. Tevens veroordeelt het hof de Inspecteur in de proceskosten en wijst het griffierecht toe aan belanghebbende.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag door de waarde van het recht van gebruik en bewoning vast te stellen op gemiddeld € 105.358.