ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ9923

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
2 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
K05/1152
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
  • B.F. de Poorter
  • F. van Beuge
  • H.A. Marquart Scholtz
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 SvArt. 344 lid 1 sub 2 SvArt. 344 lid 1 sub 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing klacht tegen niet vervolging wegens onvoldoende bewijs bedreiging

Klager deed aangifte van bedreiging door beklaagde tijdens een poging tot betekening van beslag. De officier van justitie besloot tot niet vervolging wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Klager stelde dat het betekeningexploot, waarop melding stond van bedreiging, als schriftelijk bewijs moest gelden naast zijn aangifteverklaring.

Het hof oordeelde dat hoewel het exploot een schriftelijk stuk is, de aantekening van de deurwaarder geen zelfstandige bewijskracht heeft omdat de deurwaarder geen opsporingsambtenaar is en geen ambtsedig proces-verbaal kan opmaken over zaken buiten zijn bevoegdheid. De verklaring op het exploot en de aangifte zijn van dezelfde bron, waardoor sprake is van een één-op-één verklaring.

Gezien het ontbreken van getuigen en aanvullend bewijs acht het hof het bewijs onvoldoende om vervolging te bevelen en verwacht het geen nieuw bewijs bij verder onderzoek. Daarom werd het beklag van klager afgewezen.

Uitkomst: Het hof wijst het beklag af wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor vervolging.

Uitspraak

K05/1152
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 2 mei 2006 inzake het beklag ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:
[klager],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: klager,
over de beslissing van de officier van justitie te 's-Hertogenbosch tot het niet vervolgen van:
[beklaagde],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: beklaagde,
wegens bedreiging.
De feitelijke gang van zaken.
Op 17 maart 2005 heeft klager aangifte gedaan van bedreiging met klappen, beweerdelijk jegens hem gepleegd door beklaagde.
Op 31 mei 2005 is door de sepot-functionaris, [naam], aan klager bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat er geen wettig en overtuigend bewijs verkregen werd.
Hierop heeft klager bij schrijven van 11 juli 2005 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 13 juli 2005, met het verzoek de vervolging te bevelen.
De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 6 januari 2006 het hof geraden het beklag af te wijzen.
Op 4 april 2006 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klager.
De advocaat-generaal heeft verklaard te persisteren bij het schriftelijk verslag.
De beoordeling.
Klager stelt dat beklaagde zich jegens hem schuldig heeft gemaakt aan bedreiging doordat beklaagde hem, toen hij in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder een beslag aan beklaagde wilde betekenen, met woorden en met klappen heeft gedreigd.
Beklaagde heeft zulks ten overstaan van de politie ontkend.
Er zijn geen getuigen van het voorval.
Klager stelt dat aan het betekeningexploot – waarop klager heeft genoteerd dat de betekening van het beslag niet gelukt is omdat hij door beklaagde werd bedreigd – bijzondere bewijskracht moet worden toegekend nu dit een schriftelijk stuk is in de zin van artikel 344, eerste lid, sub 2e en/of 3e van het Wetboek van Strafvordering, om welke reden, aldus klager, het stuk beschouwd dient te worden als een tweede bewijsmiddel naast de door hem afgelegde verklaring bij aangifte.
Het hof is van oordeel dat, niettegenstaande het feit dat een betekeningexploot te beschouwen is als een schriftelijk stuk in de zin van artikel 344, eerste lid, sub 2e en/of 3e van het Wetboek van Strafvordering, voor zover daarin door de gerechtsdeurwaarder wordt opgetekend de reden waarom het beslag niet kon worden betekend, zulks echter niet betekent dat aan een op een dergelijk exploot aangebrachte aantekening afzonderlijke bewijskracht toekomt, gelet op het feit dat een gerechtsdeurwaarder geen opsporingsambtenaar in de zin der wet is en derhalve niet omtrent zaken, die buiten de strekking van genoemde wetsartikelen vallen, een ambtsedig proces-verbaal kan opmaken.
Dit heeft tot gevolg dat de aantekening van klager op het exploot - dat hij werd bedreigd door beklaagde – op één lijn dient te worden gesteld met de door klager bij aangifte afgelegde verklaring dat hij door beklaagde werd bedreigd, nu de informatie in beide gevallen afkomstig is van dezelfde bron, te weten klager.
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat in casu sprake is van een zogenaamde één op één verklaring.
Het hof acht, gelet op de uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van een of meer strafbare feiten aanwezig om de vervolging van beklaagde te bevelen. Voorts mag naar het oordeel van het hof niet verwacht worden dat verder onderzoek nader bewijs zal opleveren.
Gelet op het vorenstaande dient het beklag te worden afgewezen.
De beslissing.
Het hof wijst het beklag af.
Aldus gegeven door
mr. B.F. de Poorter, als voorzitter,
mrs. F. van Beuge en H.A. Marquart Scholtz, als raadsheer,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. Tappenbeck, als griffier.
op 2 mei 2006.
Mr. Marquart Scholtz is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.