ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ9927

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
K05/1213
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
  • F. van Beuge
  • G.A.M. Stevens
  • F.J.M. Walstock
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 SvArt. 12 e.v. Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid klacht wegens ontbreken zelfstandige aangifte bij vernieling en poging tot doodslag

Op 17 augustus 2004 werd de zoon van klaagster slachtoffer van vernieling, openlijke geweldpleging en/of poging tot doodslag, gepleegd door beklaagden. De zoon deed op die dag aangifte bij de politie. Klaagster zelf heeft echter geen zelfstandige aangifte gedaan.

Klaagster diende op 23 augustus 2005 een klaagschrift in bij het hof met het verzoek tot vervolging van beklaagden. De advocaat-generaal adviseerde het hof om klaagster deels niet-ontvankelijk te verklaren en het beklag af te wijzen. Tijdens de raadkamer op 2 mei 2006 werd geadviseerd klaagster volledig ontvankelijk te verklaren, maar het beklag alsnog af te wijzen.

Het hof oordeelde dat het ontbreken van een zelfstandige aangifte door klaagster, ondanks de aangifte van haar zoon, onvoldoende is om haar klacht ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 12 e.v. Wetboek van Strafvordering. Tevens werd opgemerkt dat het feitencomplex reeds in een andere klachtzaak van haar zoon werd beoordeeld, waardoor klaagster niet in haar belangen is geschaad.

Daarom verklaarde het hof klaagster niet-ontvankelijk in haar beklag en wees het af. De procedure benadrukt het belang van een zelfstandige aangifte voor het indienen van een klacht ex artikel 12 Sv Pro.

Uitkomst: Klaagster werd niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht wegens het ontbreken van een zelfstandige aangifte.

Uitspraak

K05/1213
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 30 mei 2006 inzake het beklag ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:
[klaagster],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: klaagster,
te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van mevrouw [naam], werkzaam bij de naamloze vennootschap D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., gevestigd te ‘s-Hertogenbosch,
over de beslissing van de officier van justitie te Maastricht tot het niet vervolgen van:
[beklaagde 1],
wonende te [woonplaats],
en
[beklaagde 2],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: beklaagden, en ieder afzonderlijk: beklaagde,
wegens vernieling c.q. openlijke geweldpleging en/of poging tot doodslag.
De feitelijke gang van zaken.
Op 17 augustus 2004 is de zoon van klaagster, [slachtoffer], slachtoffer geworden van vernieling c.q. openlijke geweldpleging en/of poging tot doodslag, beweerdelijk gepleegd jegens hem door beklaagden. [slachtoffer] heeft terzake deze feiten op 17 augustus 2004 aangifte gedaan. Klaagster heeft niet zelfstandig aangifte dienaangaande of van enig ander strafbaar feit gedaan.
Namens klaagster is bij schrijven van 23 augustus 2005 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 25 augustus 2005, met het verzoek de vervolging te bevelen.
De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 22 februari 2006 het hof geraden klaagster ten dele niet-ontvankelijk te verklaren in haar beklag en voor het overige het beklag af te wijzen.
Op 2 mei 2006 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van [naam], gemachtigde van klaagster.
De advocaat-generaal heeft het hof geadviseerd om klaagster in haar beklag in alle opzichten ontvankelijk te verklaren maar het beklag af te wijzen.
De beoordeling.
Klaagster stelt dat beklaagden zich schuldig hebben gemaakt aan vernieling, openlijke geweldpleging en/of poging tot doodslag.
Klaagster is eigenaresse van de personenauto waarin haar zoon, [slachtoffer], reed toen beklaagden vanaf een brug stenen op de personenauto gooiden, waardoor de auto werd beschadigd en haar zoon letsel heeft opgelopen.
Klaagster heeft geen aangifte bij de politie gedaan terzake enig strafbaar feit.
De beklagprocedure ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering vereist onder meer dat er sprake is van een strafbaar feit dat niet (verder) wordt vervolgd. Daarvan is eerst sprake wanneer het strafbare feit daadwerkelijk ter kennis van het openbaar ministerie is gekomen, hetgeen doorgaans in de vorm van een aangifte geschiedt.
Nu klaagster in casu geen aangifte heeft gedaan terzake van enig strafbaar feit, is er door het openbaar ministerie ten aanzien van klaagster geen beslissing genomen over het al dan niet vervolgen, zodat zich in casu geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Klaagster kan derhalve niet in haar beklag worden ontvangen.
Het hof zal het beklag zal op die grond afwijzen.
Het standpunt van de advocaat-generaal in raadkamer ingenomen – hoe sympathiek en moreel correct ook – dat, nu het aan foutieve handelswijze van de politie te wijten is dat klaagster niet zelfstandig aangifte heeft gedaan, zulks ertoe moet leiden dat het hof klaagster, op grond van de aangifte van haar zoon, ontvankelijk dient te verklaren in haar beklag, is voor het hof onvoldoende, gelet ook op de wettelijke regeling in artikel 12 e.v. van het Wetboek van Strafvordering.
Overigens wijst het hof erop dat het onderhavige feitencomplex in totaliteit in het kader van de behandeling van de eveneens bij het hof aanhangig gemaakte klachtzaak van [slachtoffer] (kenmerk K05/1210) door het hof is beoordeeld, zodat klaagster in materiële zin niet in haar belangen is geschaad.
De beslissing.
Het hof verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar beklag en wijst het beklag op die grond af.
Aldus gegeven door
mr. F. van Beuge, als voorzitter,
mrs. G.A.M. Stevens en F.J.M. Walstock, als raadsheer,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. Tappenbeck, als griffier.
op 30 mei 2006.