ECLI:NL:GHSHE:2006:BA0474
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.D. van Norden
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vrijstelling BPM wegens onvoldoende bewijs normaal verblijf in België
Belanghebbende verzocht om vrijstelling van belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) voor twee voertuigen met Belgische kentekens, stellende dat hij zijn normale verblijfplaats ten minste twaalf maanden in België had gehad. De Inspecteur wees dit verzoek af omdat niet was voldaan aan de voorwaarden van de Verordening (EEG) nr. 918/83, met name artikel 4, dat vereist dat de normale verblijfplaats gedurende twaalf opeenvolgende maanden buiten het douanegebied van de Gemeenschap moet zijn geweest.
Tijdens het geding stelde belanghebbende dat hij sinds mei 1999 in België woonde, met bewijsstukken zoals huurbetalingen en inschrijvingen. De Inspecteur betwistte echter de feitelijke bewoning en wees op inconsistenties in de gegevens, zoals het ontbreken van een getekend huurcontract en de inschrijving van belanghebbende en zijn echtgenote in Nederland.
Het hof oordeelde dat belanghebbende niet voldoende bewijs had geleverd van het daadwerkelijke verblijf in België gedurende de vereiste periode. Diverse verklaringen en documenten waren niet eenduidig of ontbraken, en de feitelijke verhuizing naar Nederland vond eerder plaats dan belanghebbende stelde. Daarom was de weigering van de vrijstelling door de Inspecteur terecht en werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard omdat niet is aangetoond dat hij twaalf maanden zijn normale verblijfplaats in België had.