ECLI:NL:GHSHE:2006:BA0784

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C0301075
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aansprakelijkheid werkmaterieelverzekering naast AVB-verzekering

In deze civiele zaak stond centraal of de door appellant afgesloten werkmaterieelverzekering dekking bood voor schade veroorzaakt door een landbouwwerktuig dat door een loonbedrijf werd gebruikt, en of deze schade tevens onder de AVB-verzekering van Aegon viel. Appellant had naast de AVB-verzekering een specifieke verzekering afgesloten bij een ander bedrijf, die dekking bood voor bedrijfsschade bij gebruik van landbouwwerktuigen.

De curator van appellant stelde dat de AVB-verzekering van Aegon dekking moest bieden, maar het hof oordeelde dat artikel 2.7.2 van de AVB-voorwaarden aansprakelijkheid voor schade met motorrijtuigen uitsluit. De werkmaterieelverzekering van appellant bood daarentegen wel dekking, maar kende uitsluitingen voor bijzondere gevallen. Uit overlegde polisvoorwaarden en correspondentie bleek dat appellant deze aanvullende verzekering had afgesloten en dat de claim daarop was afgewezen op grond van een polisuitsluiting.

Het hof concludeerde dat het voor appellant of diens assurantieadviseur duidelijk moest zijn geweest dat de AVB-verzekering niet toereikend was en dat de werkmaterieelverzekering noodzakelijk was. De grieven van appellant en curator faalden, zodat het hof het vonnis van de rechtbank Roermond bekrachtigde en de curator veroordeelde in de proceskosten van hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering van appellant af.

Uitspraak

typ. NJ
rolnr. C0301075/RO
ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,
eerste kamer, van 25 juli 2006,
gewezen in de zaak van:
MR. JEROEN PAUL BAKKERS,
in zijn hoedanigheid van curator in het
faillissement van [persoon 1],
h.o.d.n. [APPELLANTE],
wonende te Venlo,
appellant,
procureur: mr. R.B.J.M. van der Linden,
tegen:
de naamloze vennootschap AEGON SCHADEVERZEKERINGEN NV,
gevestigd te 's-Gravenhage,
geïntimeerde,
procureur: mr. J.E. Lenglet,
in vervolg op de tussenarresten van 11 januari 2005,
19 juli 2005 en 31 januari 2006. Het hof zal de nummering van die arresten voortzetten.
13. Het verdere procesverloop
Beide partijen hebben een akte na tussenarrest genomen, zoals verzocht in het arrest van 31 januari 2006. De curator heeft daarbij een polis in het geding gebracht zoals door het hof verzocht. Aegon heeft afgezien van het leveren van bewijs waartoe haar de gelegenheid was geboden.
Daarna hebben partijen wederom gefourneerd voor arrest.
14. De verdere beoordeling van het geschil
14.1. Aegon heeft er eerder een beroep op gedaan dat [appellante] mogelijk een werkmaterieelverzekering heeft afgesloten. In het tussenarrest van 11 januari 2005 (rechtsoverweging 4.8) heeft het hof daarover overwogen:
"Indien [appellante] een dergelijke verzekering heeft afgesloten, en vast zou staan dat een dergelijke verzekering juist bedoeld is voor het dekken van de schade als de onderhavige (en zulks voor een verzekeringnemer als [appellante] ook duidelijk was), kan hij in redelijkheid niet stellen dat hij mocht verwachten dat deze schade onder de dekking van de AVB-verzekering [van Aegon] viel".
14.2. [appellante] heeft vervolgens gesteld dat hij nimmer een dergelijke verzekering heeft afgesloten (akte 8 maart 2005). Dit blijkt thans onjuist te zijn. De curator heeft immers een "verzekering van landbouwtractoren en -werktuigen" overgelegd, afgesloten door [appellante] bij [bedrijf 2]. Volgens die verzekering is er een volledige cascodekking voor de trekker van [appellante] met als gebruiksdoel loonbedrijf.
Door de curator is tevens overgelegd een brief van [bedrijf 2] van 12 maart 1997, waarin [bedrijf 2] schadevergoeding afwijst en meedeelt: "Voor schade aan goederen die een verzekerde krachtens enige overeenkomst onder zich heeft, is ingevolge artikel 23 van Pro de polis geen dekking." Weliswaar heeft de brief gezien de datering geen betrekking op de onderhavige schade, maar kennelijk wel op een soortgelijk geval (ook daar ging het om schade aan asperges die bij [appellante] in behandeling waren).
14.3. De veronderstelling van Aegon dat [appellante] een werkmaterieelverzekering had afgesloten en dat de claim van [appellante] op deze verzekering was afgewezen, blijkt juist te zijn.
Het hof is met Aegon van oordeel dat [bedrijf 2] hierbij een beroep doet op lid 2 van artikel 23 en Pro niet op lid 6 van dat artikel. De formulering van [bedrijf 2] sluit immers aan op de formulering van lid 2 en niet op de formulering van lid 6.
14.4. Uit de artikelen 1 en 3 van de algemene voorwaarden van de verzekering van [bedrijf 2] vloeit kennelijk voort dat de verzekering in beginsel dekking biedt tegen schade veroorzaakt terwijl het verzekerde landbouwwerktuig door een loonbedrijf wordt gebruikt voor werkzaamheden in een landbouw-, veeteelt- en/of tuinbouwbedrijf.
Nu [appellante] deze specifieke verzekering heeft gesloten naast de AVB-verzekering bij Aegon, moet het hem (althans zijn assurantieadviseur) duidelijk zijn geweest dat de verzekering van Aegon niet toereikend was voor alle bedrijfsschade die zich zou kunnen voordoen en dat daarvoor een nadere verzekering zoals de door [appellante] afgesloten werkmaterieelverzekering noodzakelijk was.
Artikel 2.7.2. van de Voorwaarden Aansprakelijkheidsverzekering van Aegon sluit immers alle aansprakelijkheid uit betreffende schade veroorzaakt door of met een motorrijtuig, terwijl van een dergelijke algemene uitsluiting geen sprake is volgens de verzekering van [bedrijf 2]; die verzekering geeft in beginsel dekking, maar kent alleen uitsluitingen voor bijzondere gevallen.
Aegon heeft derhalve terecht een beroep gedaan op de uitsluiting die vervat is in eerdergenoemd artikel.
14.5. De grieven van [appellante] respectievelijk de curator falen dan ook, zodat het vonnis van de rechtbank moet worden bekrachtigd. Als in het ongelijk gestelde partij zal de curator in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld.
15. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Roermond van 14 mei 2003;
veroordeelt de curator in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Aegon begroot op E. 4.893,00 voor salaris procureur en E. 245,00 voor verschotten;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.
Dit arrest is gewezen door mrs. Begheyn, H. Vermeulen en Pellis en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 25 juli 2006.