ECLI:NL:GHSHE:2006:BA4209
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Aarts
- Spoor
- Walsteijn
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep loonvordering na nietig ontslag en opvolgend werkgeverschap na faillissement
De zaak betreft een loonvordering van werknemer [Y.] na beëindiging van zijn dienstverband bij [X.], dat volgde op het faillissement van diens voorganger [A.]. De kantonrechter stelde vast dat sprake was van opvolgend werkgeverschap en dat het dienstverband voor onbepaalde tijd was voortgezet, waardoor opzegging zonder toestemming van het CWI niet rechtsgeldig was.
In hoger beroep betwistte [X.] het opvolgend werkgeverschap en stelde dat de arbeidsovereenkomst door de curator van [A.] rechtsgeldig was opgezegd. Het hof oordeelde echter dat het niet aankomt op de vraag of sprake is van overgang van onderneming, maar op de vraag of [X.] als opvolgend werkgever kan worden aangemerkt in de zin van artikel 7:668a lid 2 BW. Het hof vond dat dit het geval is, mede gelet op de continuïteit van werkzaamheden en de doorstart na faillissement.
Verder stelde het hof vast dat verlengingen van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd als zelfstandige overeenkomsten tellen, waardoor de werknemer vanaf 31 maart 2003 geacht moet worden in dienst te zijn voor onbepaalde tijd. De opzegging zonder toestemming van het CWI was niet rechtsgeldig, waardoor [X.] gehouden is loon te betalen tot 1 juli 2004. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter met verbeterde gronden en veroordeelde [X.] in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat [X.] als opvolgend werkgever geldt en veroordeelt haar tot betaling van loon tot 1 juli 2004 wegens nietig ontslag.