4.12 Naar het oordeel van het hof zijn voornoemde omstandigheden op de volgende gronden - gelet op alle omstandigheden van het geval - onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de verzekeraars tot uitkering van de schade hadden moeten overgaan.
De stelling van [appellant] dat - indien zijn woning door het instorten van de put op het terrein van zijn buurvrouw en door het nalaten van schadebeperkende maatregelen ten dele was verzakt/ingestort - de daardoor ontstane schade door de verzekeraars vergoed had moeten worden en dat de in dat geval te vergoeden schade veel hoger was dan de thans gevorderde schade, is gemotiveerd betwist door de verzekeraars. [appellant] heeft in dat opzicht onvoldoende duidelijkheid verschaft over de concrete situatie van het geval om tot de conclusie te komen dat dan een dergelijke instorting van de woning tot een uitkering van de schade had moeten leiden, laat staan tot een schadevergoeding die veel hoger is dan de thans gevorderde schadevergoeding, zoals [appellant] stelt. Evenmin leidt lezing van de polisvoorwaarden zonder meer tot de door [appellant] voorgestane conclusie.
Voorts is onvoldoende gesteld om te concluderen dat het hier gaat om een schadebeperkend optreden van [appellant] zelf. Integendeel, [appellant] voert aan dat de opdracht tot het spuiten van schuimbeton in de "holle ruimte" is gegeven namens de buurvrouw van [appellant], [persoon 1]. Het betrof een put, die op haar terrein was ingestort. Dat [appellant] mogelijk op enigerlei wijze bij deze beslissing betrokken werd, doet hieraan niet af. [appellant] heeft onvoldoende duidelijkheid gegeven over de feitelijke situatie - bijvoorbeeld waar de put op het terrein van de buurvrouw zich bevond ten opzichte van het woonhuis van [appellant] - om te concluderen dat het (ook) [appellant] was die ter voorkoming van grotere schade voor de verzekeraars schadebeperkend is opgetreden. [appellant] heeft evenmin duidelijkheid verschaft over de spoedeisendheid, waarmee maatregelen getroffen moesten worden.
De verzekeraars hebben voorts aangevoerd dat het hier gaat om schade veroorzaakt door de buurvrouw van [appellant] en - waar het de schadebeperkende maatregelen betrof - eveneens om schade en aansprakelijkheid van [bedrijf 1]. De door [appellant] in het kader van de comparitie in het geding gebrachte brieven aan [persoon 1] en (de verzekeraar van) [bedrijf 1], waarbij ter voorkoming van een procedure een minnelijke regeling van de schade is overeengekomen, wijzen eveneens in die richting. Immers, de brief d.d. 11 september 2001 van de raadsman van [appellant] aan [persoon 2], neef en vertegenwoordiger van [persoon 1], houdt in dat na betaling van een bedrag van fl. 5.000,-- "partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben in verband met het instorten van de put van Uw tante". De brief d.d. 17 december 2002 van de raadsman van [appellant] aan de verzekeraar van [bedrijf 1] houdt in dat [appellant] [bedrijf 1] aansprakelijk houdt voor de door hem geleden schade en dat [bedrijf 1] enkel om een langdurige en kostbare procedure te voorkomen bereid is in te stemmen met betaling van een derde van de schade.
Het hof zal derhalve er van uitgaan dat zowel [persoon 1] als [bedrijf 1] aansprakelijk zijn voor de onderhavige schade.
[appellant] heeft kennelijk - zonder hiervoor duidelijke gronden te noemen - genoegen genomen met een schadevergoeding van voornoemde schadeveroorzakers, die lager was dan de door hem gestelde schade. Dit is des te opmerkelijker nu ABN AMRO al in haar brief van 27 februari 2001 (prod. 6 cve) aan de raadsman van [appellant] meedeelt dat [appellant] ten aanzien van dit voorval een beroep kan doen op zijn bij de ABN AMRO afgesloten rechtsbijstandverzekering.
Gelet op met name deze laatste omstandigheden acht het hof geen reden om aan te nemen dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid de verzekeraars tot uitkering van de genoemde schade hadden dienen over te gaan. Grief III faalt derhalve.