ECLI:NL:GHSHE:2007:AZ7918

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R200600351
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Den Hartog Jager
  • Van Etten
  • Van den Bergh
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:119 BWArt. 1:120 BWArt. 6:228 BWArt. 3:196 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen wijziging huwelijksvoorwaarden na ontbinding huwelijk

Partijen verzochten gezamenlijk de rechtbank om goedkeuring van de wijziging van hun huwelijksvermogensregime van algehele gemeenschap van goederen naar huwelijkse voorwaarden met beperkte gemeenschap en verrekenbeding. De rechtbank keurde deze wijziging goed, maar het huwelijk strandde kort daarna en werd ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

De vrouw stelde in hoger beroep dat er geen overeenstemming was over de huwelijkse voorwaarden en betoogde onder meer vernietiging op grond van bedreiging, misbruik van omstandigheden, dwaling en benadeling. Het hof oordeelde echter dat het hoger beroep niet ontvankelijk was, omdat de gewijzigde huwelijkse voorwaarden geen werking meer kunnen krijgen na ontbinding van het huwelijk.

Daarnaast richtte het hoger beroep zich feitelijk op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waarover de rechtbank geen goedkeuring had verleend en wat buiten het toepassingsgebied van artikel 1:119 BW Pro valt. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en bepaalde dat partijen elk hun eigen proceskosten dragen.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de vrouw niet-ontvankelijk omdat het huwelijk is ontbonden en de gewijzigde huwelijkse voorwaarden geen werking meer kunnen krijgen.

Uitspraak

DHJ
Rekestnummer R20060351
BESCHIKKING VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,
zevende kamer, van 6 februari 2007
gegeven in de zaak van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellante,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat en procureur: mr. M. Burgers,
tegen:
[Y.],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
verder te noemen: de man,
advocaat en procureur: mr. F.G. van der Geld,
op het hoger beroep van de onder zaaknummer/rekestnummer 135152/FA RK 05-4734 door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op gemeenschappelijk verzoek van partijen gegeven beschikking van 4 januari 2006.
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
1.1. Bij gemeenschappelijk verzoekschrift met bijlagen - na ondertekening door beide partijen ingediend door de notaris - hebben partijen op de voet van artikel 1:119 BW Pro goedkeuring verzocht om het tussen hen bestaande huwelijksvermogens- regime van algehele gemeenschap van goederen te wijzigen in een stelsel van een beperkte gemeenschap van goederen met overigens uitsluiting van ieder andere gemeenschap en een finaal verrekenbeding in het geval van overlijden.
1.2. Nadat de conceptakte is aangevuld met de zogenaamde ‘Dozy-clausule’ heeft de rechtbank in de bestreden be-schikking het maken van huwelijkse voorwaarden goedge-keurd. De beschikking is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. In het beroepschrift met bijlagen, dat op 4 april 2006 bij de griffie is binnengekomen, heeft de vrouw ver-zocht de beschikking te vernietigen en het verzoek af te wijzen.
2.2. De man heeft een verweerschrift met bijlagen inge-diend, dat op 16 mei 2006 bij het hof is binnengekomen. Hij verzoekt bevestiging van de beschikking.
2.3. Het hof heeft voorts kennis genomen van
- de brief van mr. Van der Geld met bijlagen van 8 janua-ri 2007;
- de brief van mr. Burgers met bijlagen van 9 januari 2007;
- de brief van mr. Van der Geld met bijlagen van 10 ja-nuari 2007.
2.4. Bij faxbrief van 15 januari 2007 heeft het hof par-tijen meegedeeld dat ter gelegenheid van de mondelinge be-handeling de uitspraak HR 4 juni 1999, NJ 1999/535, ter sprake zal worden gebracht.
2.5. Ter zitting van 17 januari 2007 hebben partijen, on-der meer aan de hand van pleitaantekeningen en naar aan-leiding van vragen van de zijde van het hof, de ontvanke-lijkheid van het hoger beroep besproken. Bij die gelegen-heid werd uitspraak bepaald op heden.
3. De beoordeling
3.1. De wens tot wijziging van het huwelijksgoederenregime was ingegeven door de omstandigheid dat de man niet meer in loondienst werkzaam is maar een eigen onderneming is gestart. Er is een concept-akte wijziging huwelijkse voor-waarden opgemaakt en een afzonderlijke concept-akte verde-ling en levering, strekkende tot verdeling van de huwe-lijksgoederengemeenschap. Kort na de goedkeuring van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden door de rechtbank is het huwelijk van partijen gestrand. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man meegedeeld dat de beschikking van 26 september 2006 waar-bij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken, op 28 november 2006 is ingeschreven in de register van de burgerlijke stand.
3.2. In het beroepschrift heeft de vrouw aangevoerd:
- primair: er bestaat geen overeenstemming over de inhoud van de huwelijkse voorwaarden. De vrouw is slechts ak-koord gegaan met toezending aan de rechtbank in de ver-onderstelling dat sprake was van een concept-akte;
- subsidiair: (in de woorden van de advocaat) ‘indien wel sprake is van een overeenkomst, geen wilsovereenstem-ming’. In dit kader doet de vrouw een beroep op vernie-tiging op grond van bedreiging en misbruik van omstan-digheden;
- meer subsidiair: er is sprake van dwaling (artikel 6:228 BW Pro) en benadeling voor meer dan een kwart (arti-kel 3:196 BW).
3.3. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn drie gronden voor niet-ontvankelijkheid ter sprake ge-bracht, te weten:
- genoemd arrest HR 4 juni 1999, NJ 1999/535, waarin werd geoordeeld dat het rechtsmiddel van hoger beroep niet is gegeven om aan een partij wier verzoek tot echt-scheiding door de eerste rechter is toegewezen, gele-genheid te geven die beschikking ongedaan te maken om-dat zij bij nader inzien de voorkeur eraan geeft van het verzoek af te zien. De advocaat van de vrouw heeft, onder verwijzing naar rov. 3.2 van het arrest, bepleit dat het onderhavige appel wel ontvankelijk is omdat in casu geen sprake is van alsnog ‘afzien’, maar van het ontbreken van een wil (althans van het bestaan van een wilsgebrek) bij indiening van het inleidend verzoek;
- het hoger beroep en de grief keren zich in feite niet tegen de goedgekeurde wijziging van het huwelijksgoede-renregime, maar tegen de daarmee samenhangen boedelver-deling; Daaraan heeft de rechtbank geen goedkeuring verleend en die verdeling valt buiten het toepassings-gebied van artikel 1:119 BW Pro;
- ingevolge het bepaalde in artikel 1:120 BW Pro beginnen de gewijzigde huwelijkse voorwaarden te werken op de dag, volgende op die waarop de akte is verleden. Vast staat dat de akte niet is verleden. Nu het huwelijk is ont-bonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschik-king kunnen de gewijzigde huwelijkse voorwaarden geen werking meer krijgen, zodat de vrouw geen belang heeft bij vernietiging van de goedkeuring in hoger beroep.
3.4. Het hof is van oordeel dat het hoger beroep van de vrouw in ieder geval op laatstgenoemde grond niet ontvan-kelijk is.
3.5. Het hof voegt hieraan het volgende toe. De bezwaren van de vrouw spitsen zich toe op de verdeling van de huwe-lijksgoederengemeenschap, in het bijzonder de waardering van de goederen. Er kan thans geen verdeling meer plaats-vinden die een gevolg is van de wijziging van de huwelijk-se voorwaarden. Er dient verdeeld te worden per datum ont-binding van het huwelijk. Met de onderhavige niet ontvan-kelijkverklaring is niets gezegd over de vraag of partijen bij die verdeling zijn gebonden aan de (concept-)overeenkomst van verdeling die is opgemaakt in het kader van het wijzigingsverzoek, noch over de vraag of die over-eenkomst partijen bindt dan wel vernietigbaar is. Beslis-singen daaromtrent vallen buiten het bestek van dit ge-ding.
3.6. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn, zal het hof de proceskosten compenseren.
4. De uitspraak
Het hof:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;
compenseert de kosten aldus dat elk der partijen hun eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Van Etten en Van den Bergh en uitgesproken op 6 februari 2007.