ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2045

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
31 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00/02663
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • P.J.M. Bongaarts
  • J. Swinkels
  • D.G. Barmentlo
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Belastingverdrag Nederland-AustraliëArt. 19 Belastingverdrag Nederland-AustraliëArt. 26 lid 1 Besluit Uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999Art. 26 lid 2 Besluit Uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999Art. 45 AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof verklaart beroep ongegrond inzake premieheffing AOW/Anw over ABP pensioen en AOW-uitkering

Belanghebbende, een Nederlandse gepensioneerde die naar Australië is geëmigreerd, maakte bezwaar tegen de premieheffing AOW en Anw over zijn ABP pensioen en AOW-uitkering. Nederland mag volgens het belastingverdrag met Australië geen inkomstenbelasting heffen over de AOW-uitkering, maar wel over het ABP pensioen. Belanghebbende stelde dat hij geen premies verschuldigd was over deze uitkeringen en beriep zich op rechtens te beschermen vertrouwen en mogelijke toezeggingen.

Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er fouten waren gemaakt bij de aanslag of dat er toezeggingen waren gedaan door de Inspecteur die tot bescherming konden leiden. Uitlatingen van het ABP binden de Inspecteur niet en de loonbelasting is slechts een voorheffing. Belanghebbende was op de hoogte van het standpunt van de Inspecteur en kon geen rechtens te beschermen vertrouwen ontlenen aan zijn hoop op een andere behandeling.

Daarom verklaarde het Hof het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht werd niet terugbetaald. Het vonnis bevestigt de bevoegdheid van Nederland om premies te heffen over het ABP pensioen ondanks het belastingverdrag met Australië.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de premieheffing AOW/Anw over het ABP pensioen en de AOW-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

BELASTINGKAMER
Nr. 00/02663
HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH
U I T S P R A A K
Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y, Australië (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de het Hoofd van de eenheid Particulieren/P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 24.751,=, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 29,=.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.3. Belanghebbende heeft, na daartoe door het hof in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.
1.4. Op grond van artikel 8:58 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.
1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 20 september 2006 te 's-Hertogenbosch.
Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.
1.6. Belanghebbende heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2003.
1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.
2. Feiten
Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:
2.1. Belanghebbende heeft het aangiftebiljet 1999 ingevuld en ondertekend. Hij heeft daarin aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van fl. 24.751,=. Dat is gelijk aan het bedrag van het door de Inspecteur vastgestelde belastbaar inkomen.
2.2. Belanghebbendes inkomsten bestonden uit een ABP pensioen van
fl. 25.113,= en een AOW-uitkering van fl. 14.108,=.
Nederland mag blijkens artikel 18 het Pro Belastingverdrag gesloten tussen Nederland en Australië in 1976 geen inkomstenbelasting heffen over de AOW-uitkering. Het recht daartoe is toegewezen aan Australië. Nederland is blijkens artikel 19 van Pro dat verdrag wel bevoegd inkomstenbelasting te heffen over het ABP pensioen. Over de AOW-uitkering en het ABP pensioen zijn premies AWBZ en premies Algemene nabestaandenwet (hierna: Anw) geheven. Belanghebbende werd ingedeeld in tariefgroep 2. Hem werden de ouderenaftrek en de aanvullende ouderenaftrek verleend.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het premiedeel van de aanslag.
2.3. Belanghebbende is geboren op 23 februari 1929, heeft de Nederlandse nationaliteit en is op 18 augustus 1989 met zijn echtgenote vanuit Nederland naar Australië geëmigreerd.
Beiden hebben zich tot hun 65-ste levensjaar vrijwillig verzekerd voor de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW), als bedoeld in artikel 45 AOW Pro.
3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
3.1. Het geschil betreft, naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard, het antwoord op de volgende vraag:
Is belanghebbende premies AOW/Anw verschuldigd over de AOW-uitkering en over het ABP pensioen?
Belanghebbende is van oordeel, dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:
Belanghebbende
Ik wil een vrijstelling voor de loonbelasting bij het ABP.
Er is geen relatie tussen de betaalde premie en de gemaakte kosten.
Ik veroordeel de Inspecteur in de proceskosten.
De Inspecteur
Voor zover belanghebbende dat al voldoende stelt, ontken ik desgevraagd hier met klem dat er enigerlei toezegging is gedaan in enig gesprek.
Belanghebbende kent al jaren ons standpunt en kan niet een uitdrukkelijke standpuntwijziging aanwijzen.
Het verschuldigde bedrag over 2003 ligt onder de aanslaggrens, daarom is de aanslag over 2003 achterwege gebleven. Daaraan kan evenmin vertrouwen worden ontleend voor eerdere jaren.
3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en, naar het Hof verstaat, vermindering van de premieheffing tot nihil.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
4. Beoordeling van het geschil
4.1. Op grond van artikel 26, lid 1, van het Besluit Uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna BUB 1999) is verzekerd op grond van de volksverzekering de persoon, die buiten Nederland is gaan wonen en op de dag van zijn vertrek een AOW uitkering had. Belanghebbende was bij vertrek uit Nederland nog geen 60 jaar en had dus nog geen AOW.
4.2.Ingevolge lid 2 van artikel 26 BUB Pro 1999 is echter ook verzekerd de persoon, die niet in Nederland woont en recht heeft op AOW, wanneer dat recht aansluit op een vrijwillige verzekering als bedoeld in artikel 45 AOW Pro. Dat laatste is ten aanzien van belanghebbende het geval. Uit dien hoofde is belanghebbende in 1999 verzekerd op grond van de volksverzekeringen.
4.3. Belanghebbende heeft gesteld, maar naar het oordeel van het Hof onvoldoende aannemelijk gemaakt, dat er bij de berekening en de verwerking van de aanslag over 1999 rekenfouten of ander fouten zijn gemaakt.
4.4. Voorzover belanghebbende zich beroept op rechtens te beschermen vertrouwen, heeft hij dat tegenover de ontkenning door de Inspecteur onvoldoende waargemaakt.
Indien en voorzover het ABP bij de inhouding van loonbelasting en premies op enig moment aan belanghebbendes wensen tegemoet is of zou zijn gekomen, dan heeft dat geen gevolgen bij de inkomstenbelasting- of de premieheffing van belanghebbende zelf. Het ABP kan de Inspecteur niet binden.
4.5. Uit niets blijkt verder dat er terzake van de premieheffing door de Inspecteur enige toezegging is gedaan. Belanghebbende heeft, naar de Inspecteur onweersproken heeft gesteld, enige keren uitvoerig uitleg ontvangen van de Inspecteur. Belanghebbende moet er dan naar het oordeel van het Hof, objectief beschouwd, inmiddels goed van op de hoogte zijn, wat de juiste wetstoepassing in zijn geval meebrengt. Dat belanghebbende het er niet mee eens is of hoopt op een andere behandeling, betekent nog niet, dat hij rechtens aanspraak kan maken op bescherming van bij hem gewekt vertrouwen. Daarvoor is een uitdrukkelijke standpuntbepaling van de Inspecteur nodig. De Inspecteur ontkent de aanwezigheid daarvan en daarvan is het Hof ook anderszins niet gebleken.
4.6. Niet in geschil is dat Nederland mag heffen over het ABP pensioen. Eventuele uitlatingen van het ABP binden de Inspecteur niet. Evenmin zou de Inspecteur van heffing van inkomstenbelasting behoeven af te zien, wanneer het ABP - in strijd met het belastingverdrag met Australië - zou worden ontheven van de plicht loonbelasting over belanghebbendes pensioen in te houden. De loonbelasting is immers slechts een voorheffing.
4.7. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.
5. Griffierecht
Het Hof is van oordeel, dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten, dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.
6. Proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
7. Beslissing
Het Hof verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan op 31 januari 2007 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en D.G. Barmentlo, in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.
Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 31 januari 2007
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in
cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.
Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.