ECLI:NL:GHSHE:2007:BA4091

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R200600912
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Gründemann
  • Bijleveld-van der Slikke
  • Raab
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978Art. 5 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepasselijk recht op huwelijksgoederenregime bij meervoudige nationaliteit

Partijen zijn in 2004 in Marokko gehuwd en hebben naast hun Nederlandse en Belgische nationaliteit ook de Marokkaanse nationaliteit. De rechtbank had eerder het Nederlands recht van toepassing verklaard op hun huwelijksgoederenregime en de gemeenschap van goederen verdeeld.

De man stelde in hoger beroep dat het Marokkaans recht van toepassing is omdat dit de gemeenschappelijke nationaliteit betreft, en dat volgens Marokkaans recht geen gemeenschap van goederen bestaat. De vrouw betwistte dit en vond dat de rechtbank terecht Nederlands recht had toegepast.

Het hof overweegt dat, omdat partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt, artikel 4 lid 2 van Pro het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing is. Nederland heeft een verklaring afgelegd op grond van artikel 5, en Marokko is geen verdragsstaat. Daarom is het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen, het Marokkaans recht, van toepassing.

Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank voor zover Nederlands recht is toegepast op het huwelijksgoederenregime en wijst het bevel tot verdeling van de gemeenschap van goederen op die grond af. De zaak wordt opnieuw beoordeeld met toepassing van Marokkaans recht.

Uitkomst: Het hof bepaalt dat Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime en vernietigt de eerdere toepassing van Nederlands recht.

Uitspraak

RD
15 februari 2007
Sector civiel recht
Rekestnummer R06/00912
Zaaknummer eerste aanleg 134246/ FA RK 05-4418
GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH
Beschikking
In de zaak in hoger beroep van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. L.C.J. Sars,
t e g e n
[Y.],
wonende te [woonplaats] (Belgie),
geïntimeerde,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. T. Peters.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 mei 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 4 augustus 2006, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen, voor zover het betreft het daarin van toepassing verklaarde Nederlands recht op het huwelijksgoederenregime van partijen, in casu inhoudende algehele gemeenschap van goederen, en het daarbij gegeven bevel tot verdeling van die gemeenschap, en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de vrouw op dit punt alsnog af te wijzen.
2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 4 september 2006, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te bekrachtigen.
2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 januari 2007. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. Sars;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. Peters.
2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 7 april 2006.
3. De gronden van het hoger beroep
Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.
4. De beoordeling
4.1. Partijen zijn op 2 juli 2004 te [plaatsnaam], Marokko met elkaar gehuwd. Bij zijn verzoekschrift in eerste instantie heeft de man onder meer verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Bij haar verweerschrift in eerste instantie heeft de vrouw de rechtbank onder meer verzocht de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap te bevelen.
4.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, alsmede de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen bevolen. De rechtbank volgt niet de stelling van de man dat op het huwelijksgoederenregime van partijen het Marokkaans recht van toepassing is en oordeelt dat hierop het Nederlands recht van toepassing is.
4.3. In zijn beroepschrift stelt de man dat partijen, naast de Nederlandse respectievelijk de Belgische nationaliteit, beiden ook de Marokkaanse nationaliteit hebben. De man is dan ook van mening dat in deze het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit, te weten: het Marokkaans recht, prevaleert boven Nederlands recht. De rechtbank heeft dus ten onrechte het Nederlands recht van toepassing verklaard. Mitsdien, aldus de man, is ook het bevel tot verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen ten onrechte gegeven, omdat volgens het toepasselijke Marokkaans recht geen sprake is van een gemeenschap van goederen.
4.4. In haar verweerschrift voert de vrouw aan dat de man ten onrechte stelt dat Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime. De vrouw is van mening dat de rechtbank terecht op grond van het in artikel 4 lid 1 Haags Pro Huwelijksvermogensverdrag 1978 bepaalde heeft geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is. Volgens haar is het bevel tot verdeling derhalve terecht gegeven, omdat volgens het toepasselijke Nederlandse recht tussen partijen een gemeenschap van goederen bestaat.
4.5. Het hof overweegt het volgende.
4.5.1. Op het huwelijksgoederenregime van partijen is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing. Om vast te stellen welk recht op het huwelijksgoederenregime van partijen van toepassing is, dient op grond van het in artikel 4 lid 1 van Pro voormeld verdrag bepaalde eerst te worden nagegaan of partijen ten aanzien van hun huwelijksgoederenregime een rechtskeuze hebben gemaakt.
Nu niet is gesteld of gebleken dat partijen een dergelijke rechtskeuze hebben gemaakt, is, in afwijking van het in artikel 4 lid 1 van Pro voormeld verdrag bepaalde, artikel 4 lid Pro 2, aanhef en sub 2, aanhef en sub a van voormeld verdrag van toepassing, waaruit volgt dat het recht van het land waarvan de beide partijen de nationaliteit hebben van toepassing is op hun huwelijksgoederenregime, zulks ook gelet op het feit dat Nederland – één van de verdragsstaten – de in artikel 5 van Pro het verdrag bedoelde verklaring heeft afgelegd en dat de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen (Marokko) geen verdragsstaat is. De conclusie uit het voorgaande is, dat op het huwelijksgoederenregime van partijen het Marokkaans recht van toepassing is.
4.5.2. Voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat op het huwelijksgoederenregime van partijen het Nederlands recht van toepassing is, zal het hof de bestreden beschikking op grond van het vorenstaande vernietigen.
5. De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 23 mei 2006, doch uitsluitend voor zover het Nederlands recht op het huwelijksgoederenregime van partijen van toepassing is verklaard;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat op het huwelijksgoederenregime van partijen het Marokkaans recht
van toepassing is.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Gr?ndemann, Bijleveld-van der Slikke en Raab en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 februari 2007 in tegenwoordigheid van de griffier