ECLI:NL:GHSHE:2007:BA4886

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C200401603
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Etten
  • Den Hartog Jager
  • Bark-Van Gink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:100 BWArt. 3:44 BWArt. 6:212 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis inzake verdeling huwelijksgemeenschap zonder bewijs van bedrog of ongerechtvaardigde verrijking

In deze zaak stond de verdeling van de huwelijksgemeenschap centraal, waarbij eiseres [X.] betoogde dat de overeenkomst tot stand was gekomen onder bedrog en dat er sprake was van ongerechtvaardigde verrijking van haar ex-man [Y.]. Na bewijslevering, waaronder getuigenverklaringen van familieleden en partijgetuigen, concludeerde het hof dat bedrog niet was komen vast te staan. De verklaringen over het vertrek van de moeder van [Y.] uit de woning waren tegenstrijdig, waarbij het hof de verklaringen van de contra-enquête getuigen zwaarder liet wegen.

Daarnaast wees het hof het beroep op ongerechtvaardigde verrijking af, omdat de vermeende verrijking van [Y.] voortkwam uit de overeengekomen vaststellingsovereenkomst en de verhuizing van zijn moeder, zonder dat hierover afspraken waren gemaakt. Het hof oordeelde dat geen aanspraak bestond op waardestijging van de woning door de verhuizing.

Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Maastricht en compenseerde de kosten van het hoger beroep, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Hiermee kwam een einde aan het geschil over de verdeling van de huwelijksgemeenschap en de onderliggende beweerde onregelmatigheden.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het beroep op bedrog en ongerechtvaardigde verrijking af.

Uitspraak

C0401603/MA
ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,
zevende kamer, van 27 februari 2007,
gewezen in de zaak van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellante,
procureur: mr. F.C.J.J. Jessen,
tegen:
[Y.],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 11 april 2006 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 1 september 2004 tussen [X.] als eiseres en [Y.] als gedaagde.
6. Het tussenarrest van 11 april 2006
Bij genoemd arrest heeft het hof aan [X.] een bewijsopdracht gegeven en is iedere verdere beslissing aangehouden.
7. Het verdere verloop van de procedure
Ter uitvoering van het tussenarrest heeft [X.] drie getuigen, waaronder zichzelf als partijgetuige, doen horen. In contra-enquête zijn vier getuigen gehoord.
[X.] heeft een memorie na enquête genomen en [Y.] een antwoordmemorie na enquête.
Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.
8. De verdere beoordeling
8.1. [X.] diende feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit voortvloeit dat [Y.] bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst op 13 juni 2002 de vooropgezette bedoeling had de woning [adres] te [woonplaats] in onverhuurde staat te verkopen en dat [Y.] met het oog op de verkoop zijn moeder ertoe heeft bewogen de woning te verlaten.
8.2. De getuige [A.], dochter van partijen, heeft – voorzover hier van belang – verklaard dat haar oma de woning aan het [adres] in [woonplaats] heeft verlaten omdat haar vader dat wilde. Het hof merkt hierbij op dat de getuige niet heeft toegelicht waar zij deze conclusie op baseert. De getuige heeft verklaard dat zij voor het eerst hoorde dat haar oma de woning uit moest, toen zij al in haar nieuwe woning woonde.
De getuige [B.], heeft verklaard – voorzover hier van belang – dat hem bekend was dat [C.], de moeder van partij [Y.], heel graag woonde in de woning aan het [adres] in [woonplaats] en dat hij ervan uitgaat dat zij niet uit zichzelf is weggegaan. Hij heeft hier echter aan toegevoegd dat [C.] wel tegen hem heeft gezegd dat ze ging verhuizen, maar niet dat ze moest verhuizen.
[X.] heeft als partijgetuige verklaard – voorzover hier van belang – dat zij van een vriendin die contact had met de moeder van haar ex-man, heeft gehoord dat deze de woning aan het [adres] in [woonplaats] verliet voor haar zoon, in verband met diens hartklachten en schulden.
8.3. Hiertegenover staan de verklaringen van de in contra-enquête gehoorde getuigen, te weten [C.] (de moeder van partij [Y.]), de heer en mevrouw [D.] (respectievelijk zus en zwager van partij [Y.]) en [Y.] zelf.
Deze getuigen hebben eenparig verklaard dat de heer en mevrouw [D.] het initiatief hebben genomen voor de verhuizing van [C.]. Mevrouw [D.] verzorgde haar moeder, ook toen deze in de woning aan het [adres] in [woonplaats] woonde, via een persoonsgebonden budget. In december 2002 zijn de heer en mevrouw [D.] naar een andere woning in [woonplaats] verhuisd. Op hun initiatief heeft [C.] zich toen laten inschrijven voor een flat voor ouderen in de nabijheid van hun nieuwe woning in [woonplaats]. Als snel heeft [C.] een flat toegewezen gekregen. Deze verhuizing van [C.] is buiten partij [Y.] om gegaan.
8.4. Naar het oordeel van het hof moet worden geconcludeerd dat [X.] niet is geslaagd in haar bewijsopdracht. Voorzover aan de verklaringen van de onder 8.2 vermelde getuigen al aanwijzingen zijn te ontlenen voor het gelijk van het standpunt van [X.], worden die verklaringen weersproken door de getuigen, vermeld onder 8.3.
Dit betekent dat de grieven 3 en 4 van [X.] geen doel treffen.
8.5. Ter beoordeling staat thans nog de tweede grief van [X.], inhoudende dat de rechtbank ten onrechte haar beroep op ongerechtvaardigde verrijking heeft verworpen.
8.6. Ook deze grief faalt. Voorzover sprake is van verrijking van [Y.] is deze niet ongerechtvaardigd. Die verrijking is weliswaar een gevolg van hetgeen partijen in de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen maar tevens van het vertrek van de moeder van [Y.] uit de woning. Ten aanzien van deze vaststellingsovereenkomst is, gelet op het hiervoor overwogene, niet komen vast te staan dat deze op onregelmatige wijze is totstandgekomen terwijl niet valt in te zien dat [X.] enige aanspraak toekomt uit hoofde van de waardestijging van de woning die een gevolg is van de verhuizing van [Y.] nu een daarop afgestemde afspraak niet is gemaakt.
8.7. Nu geen van de grieven slaagt dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd.
De kosten van het hoger beroep zullen door het hof worden gecompenseerd aangezien partijen voormalige echtgenoten zijn.
9. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Bark-Van Gink en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 27 februari 2007.