4.7. Het hof overweegt als volgt.
Artikel 1:402 BW laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een (gewijzigde) alimentatieverplichting. Ingevolge vaste jurisprudentie heeft in het algemeen als uitgangspunt te gelden dat de rechter een behoedzaam gebruik dient te maken van zijn bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage over een periode in het verleden. Gebruikelijk is dat de ingangsdatum van een alimentatiewijziging wordt bepaald op de datum van indiening van het wijzigingsverzoek ter griffie van de rechtbank (in casu 23 maart 2006), tenzij bijzondere omstandigheden aanleiding geven anders te beslissen. De algemene gedachte daarbij is dat een alimentatiegerechtigde met ingang van de datum van indiening van het wijzigings-verzoek redelijkerwijze rekening heeft kunnen en moeten houden met een eventuele wijziging van de te ontvangen onderhoudsbijdrage.
Vast is komen te staan dat de man in juli 2004 zonder bericht aan de vrouw is gestopt met het betalen van de kinderbijdragen. De vrouw heeft ter zitting onweersproken verklaard dat zij in oktober 2004 hierover telefonisch contact heeft opgenomen met de advocaat van de man. Hierop volgde de door de man overgelegde brief van de advocaat van de man aan de vrouw van 3 november 2004. In deze brief staat vermeld dat de man wegens zijn gewijzigde financiële situatie niet meer voldoende draagkracht heeft om de maandelijkse kinder- en partneralimentatie aan de vrouw te blijven voldoen en dat de man daardoor genoodzaakt is op korte termijn een wijziging van de kinder- en partneralimentatie te verzoeken. Tevens staat in de brief vermeld dat de man bereid is een regeling met de vrouw te treffen om een procedure te voorkomen.
Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw uit voornoemde brief niet kunnen afleiden dat de man in het geheel geen draagkracht meer had om nog enige onderhoudsbijdrage te voldoen. Immers, in de brief is niet opgenomen dat de man voornemens was om een nihilstelling van de door hem te betalen onderhoudsbijdragen te verzoeken. Evenmin kan uit de brief worden opgemaakt in hoeverre hij een wijziging van de onderhoudsbijdragen wenste, dan wel in hoeverre hij een regeling wenste te treffen. Bij de brief waren ook geen stukken met betrekking tot de toenmalige financiële situatie van de man gevoegd.
Voorts neemt het hof in aanmerking dat de man zonder reden - desgevraagd ter zitting kon de advocaat van de man geen reden noemen - tot maart 2006 heeft gewacht met het indienen van het wijzigingsverzoek en dat hij voor het eerst in de procedure in eerste aanleg financiële stukken heeft overgelegd, waaruit blijkt dat hij geen draagkracht meer heeft tot het betalen van enige bijdrage.
Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden geconcludeerd dat de vrouw eerder dan na ontvangst van het verzoekschrift rekening heeft kunnen en moeten houden met een wijziging van de kinderalimentatie bestaande uit een nihilstelling. Het hof ziet daarom geen reden om uit te gaan van een andere wijzigingsdatum dan de door de rechtbank vastgestelde wijzigingsdatum.
Namens de man is nog gesteld dat uit de geldende jurisprudentie naar voren komt dat de rechter geen behoedzaam gebruik hoeft te maken van zijn bevoegdheid tot wijziging van een onderhoudsbijdrage over een periode in het verleden, indien dit, zoals in het onderhavige geval, geen terugbetalingsverplichting van de onderhoudsgerechtigde tot gevolg heeft. De man baseert voornoemde stelling kennelijk onder meer op de uitspraak van de Hoge Raad van 20 september 2002 (NJ 2003, 47). Een dergelijke interpretatie van deze uitspraak zou echter met zich brengen dat een onderhoudsplichtige door het niet voldoen van zijn onderhoudsverplichting kan bewerkstelligen dat de door hem te betalen bijdrage met terugwerkende kracht wordt gewijzigd. Een dergelijke regel kan aan die uitspraak echter niet worden ontleend. Het hof gaat aldus voorbij aan voornoemde stelling van de man.
De grief van de man faalt.