ECLI:NL:GHSHE:2007:BB2211
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Lamers
- Raab
- Van der Velden
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij kinderontvoeringszaak na vertrek kind naar Australië
In deze zaak gaat het om een geschil over de terugkeer van een minderjarig kind, [Z.], naar Australië op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De Centrale Autoriteit verzocht de rechtbank Breda om onmiddellijke terugkeer van het kind naar Australië te gelasten. De rechtbank gaf dit verzoek deels gehoor en bepaalde dat het kind uiterlijk 13 april 2007 moest terugkeren. De moeder, die het hoger beroep instelde, was het hier niet mee eens en voerde verschillende grieven aan tegen de beslissing.
Het hof overwoog dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in internationale kinderontvoeringszaken wordt bepaald op het moment dat de procedure in eerste aanleg wordt gestart (perpetuatio fori). Ten tijde van het verzoek had het kind haar feitelijke verblijf in Nederland, waardoor de Nederlandse rechter bevoegd was. Echter, het kind was op 13 april 2007 samen met de vader naar Australië vertrokken, waardoor het feitelijke verblijf in Nederland niet meer bestond.
Het hof oordeelde dat, naar analogie van jurisprudentie over gezagsvoorzieningen, een uitzondering op het perpetuatio fori-beginsel gerechtvaardigd is bij wijziging van de gewone verblijfplaats van het kind. Hierdoor was de Nederlandse rechter niet langer bevoegd om over het hoger beroep te oordelen. Daarnaast had de moeder geen belang meer bij het hoger beroep omdat het kind en de ouders inmiddels in Australië verbleven en daar procedures liepen.
Het hof verklaarde zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. De beschikking van de rechtbank Breda werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het kind niet meer in Nederland verblijft.