ECLI:NL:GHSHE:2007:BB3962

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R200700310
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Den Hartog Jager
  • Van den Bergh
  • Schaafsma-Beversluis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 186 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor in hoger beroep zakelijk geschil

In een hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Breda over de koopsom van een bedrijfspand verzochten partijen een voorlopig getuigenverhoor en deskundigenbericht. De rechtbank had reeds een deskundigenbericht laten opstellen en een bedrag vastgesteld dat partijen aan elkaar moesten betalen.

Verzoekers wilden meerdere accountants en een deskundige op het gebied van software als getuigen horen om aan te tonen dat hun administratie transparant en inzichtelijk was, en betwistten het deskundigenrapport van de rechtbank. Het hof overwoog dat een voorlopig getuigenverhoor niet bedoeld is om het bewijsfase volledig te doorlopen of om het reeds aanwezige bewijs te versterken, maar om partijen in staat te stellen hun proceskansen in te schatten of om dreigend bewijsverlies te voorkomen.

Het hof constateerde dat verzoekers al schriftelijke verklaringen en rapporten hadden overgelegd en dat het verzoek feitelijk gericht was op het aanvechten van de waardering van het deskundigenrapport, wat aan de zittingsrechters in het bodemgeding toekomt. Het verzoek werd daarom afgewezen en verzoekers werden veroordeeld in de kosten van verweerster.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen en verzoekers worden veroordeeld in de kosten van verweerster.

Uitspraak

DHJ
5 september 2007
sector civiel recht
zevende kamer
rekestnummer R200700310
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Beschikking
in de zaak van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
en
[Y.],
wonende te [woonplaats],
verzoekers,
verder te noemen: [XY] (enkelvoud),
advocaat en procureur: mr. O.J.W. Reijnders,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RU-PRO HOLDING B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
verweerster,
verder te noemen: Ru-pro,
advocaat: mr. D.C.M. Denneman te Breda,
procureur: mr J.E. Benner.
1. Het verloop van het geding
2.1. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 27 maart 2007, heeft [XY.] verzocht een voorlopig getuigenverhoor en deskundigenbericht te gelasten.
2.2. Ru-pro heeft een verweerschrift met 2 bijlagen ingediend dat op 25 april 2007 op de griffie van het hof is binnengekomen.
2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op woensdag 29 augustus 2007. Daarbij waren aan de zijde van verzoekers hun advocaat en de heer [Y.] en aan de zijde van verweerster haar advocaat en de heer [Z.].. Bij die gelegenheid heeft [Y.] het meer en het nog meer subsidiaire verzoek ingetrokken en zijn primaire en subsidiaire verzoek gewijzigd in die zin dat hij alleen nog verzoekt de door hem genoemde deskundigen als getuigen te horen..
2.4. Uitspraak is bepaald op heden.
3. De beoordeling
3.1. Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende.
3.1.1. Bij het hof is tussen partijen onder rolnummer 06/1121 een procedure in hoger beroep aanhangig tegen een vonnis van de rechtbank Breda van 7 juni 2006. De memorie van antwoord in het incidenteel appel is genomen. Er is pleidooi verzocht. Partijen is gevraagd hun verhinderdata voor mei 2008 op te geven.
3.1.2. De rechtbank heeft, na deskundigenbericht, in conventie de koopsom van een bedrijfspand vastgesteld en [XY.] veroordeeld om Ru-pro € 389.844,39 te betalen. In reconventie is Ru-pro veroordeeld om [XY.] € 5.511,67 te betalen.
3.1.3. De hoogte van de vordering van [XY.] op Ru-pro is door Deloitte Accoun-tants becijferd op € 698.094,-. De door de rechtbank benoemde accountant komt tot een aanzienlijk lager bedrag. [XY.] bestrijdt het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige.
3.1.4. In het onderhavige verzoek vraagt [XY.] 4 accountants en iemand die belast is geweest met schrijven en installeren van software met behulp waarvan zijn administratie is gevoerd, als getuigen/deskundigen te mogen horen teneinde aan te tonen dat zijn administratie transparant en inzichtelijk is.
3.1.5. Ru-pro verweert zich tegen het horen van de getuigen/deskundigen.
3.2. Onder meer in HR 11 februari 2005, NJ 2005/442, (rov. 3.2.2) wordt de vol-gende maatstaf voorgeschreven:
Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in art. 186 Rv Pro kan, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het be-zigen van dit middel misbruik wordt gemaakt, waarvan onder meer sprake kan zijn wanneer de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die be-voegdheid kan worden toegelaten (…), doch dat is, (…), niet de enig mo-gelijke afwijzingsgrond. Evenals is beslist met betrekking tot het voorlopig deskundigenonderzoek, kan toewijzing van het verzoek achterwege blijven, (…), indien het strijdig is met een goede procesorde, dan wel het moet af-stuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar (…).
Het hof neemt deze maatstaf tot uitgangspunt.
3.3. Het hof leidt uit de aard van een voorlopig getuigenverhoor – de voorlopig-heid en uit hetgeen hierna onder rov. 3.5 wordt overwogen – af dat het niet de bedoeling van zodanig verhoor is om (anders dan in het geval van getuigenverhoren waarvan in het bodemgeding sprake is) de verzoeker op voorhand een volledi-ge bewijsfase te laten doorlopen. Evenmin dient zodanig verhoor de belanghebbende partij desverlangd in staat te stellen om het voorhande zijnde bewijs te versterken en daarmee de rechter te overtuigen op een te houden pleidooi. In het bij-zonder dient het voorlopig getuigenverhoor zich te beperken tot haar doel, namelijk om de verzoeker in staat te stellen zich een oordeel te vormen over haar proceskansen in een aanhangig te maken of aanhangig geding (en eventueel bewijs dat dreigt verloren te gaan, vast te leggen). Dat met het onderhavige verzoek deze doelen worden gediend, wordt door [XY.] niet gesteld en is evenmin kunnen blijken. Het is bovendien niet aannemelijk dat [XY.] geneigd is bij de huidige stand van het geding de strijd te staken.
3.4. Uit navraag ter zitting is gebleken dat [XY.] schriftelijke verklaringen en rap-porten van de te horen getuigen/deskundigen in het bodemgeding heeft overgelegd. Zodanige verklaringen kunnen dienen tot bewijs. Tegen deze achtergrond bestaat er voorshands weinig noodzaak de getuigen/deskundigen nu al te doen horen.
3.5. Daarbij komt dat [XY.]’ verzoek, naar de kern genomen, niet gericht is op het bijbrengen of vaststellen van feiten, maar op de waardering van (de deugdelijkheid van) het deskundigenrapport. Het is evenwel aan de zittingsrechters – en niet aan de kamer belast met de behandeling van dit verzoek – om te beoordelen of het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige, mede tegen de achtergrond van de door [XY.] overgelegde verklaringen en rapporten, voldoet voor een juiste beoordeling van de zaak, en ook of een nader deskundigenrapport en/of ge-tuigen/deskundigenverhoor door hen gewenst wordt geacht en in het bijzonder welke vragen in dat geval zullen worden gesteld. Bovendien kan een raadsheer-commissaris uit het midden van de zittingsrechters veel betere en meer op een beslissing gerichte vragen stellen dan de op een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor aan te wijzen raadsheer. Toewijzing van het verzoek in het huidige stadium van het geding kan mogelijk leiden tot vervolgverhoren, het-geen een grote extra belasting voor de getuigen, partijen en de rechters mee zal brengen. Dat in de tussengelegen periode relevant bewijsmateriaal verloren dreigt te gaan, wordt niet gesteld en is ook niet kunnen blijken.
3.6. Vorenstaande leidt ertoe dat, naar het oordeel van het hof, er zwaarwegende bezwaren bestaan om bij wege van een voorlopig getuigenverhoor getuigen-deskundigen te horen.
3.7. De conclusie is dan dat het verzoek dient te worden afgewezen. Nu het geschil tussen partijen grondt in een zakelijk geschil tussen partijen zal het hof [XY.] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordelen.
4. De beslissing
Het hof:
wijst af het verzoek;
veroordeelt [XY.], hoofdelijk, in de kosten aan de zijde van Ru-pro gevallen, tot op heden begroot op € 300,- voor vast recht en op € 1.788,- voor salaris procureur.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Van den Bergh en Schaafsma-Beversluis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.