ECLI:NL:GHSHE:2007:BB6590
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- H. Eijsenga
- J.H.J.M. Mertens-Steeghs
- F. van Es
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel in ontnemingszaak
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep in een ontnemingszaak tegen verdachte die eerder was veroordeeld voor diverse strafbare feiten, waaronder diefstal en medeplegen van opzetheling. Het hof onderzocht de periode van 1 januari 2003 tot en met 23 maart 2004, waarin verdachte wederrechtelijk voordeel zou hebben genoten.
Op basis van gegevens van de Belastingdienst en de ontnemingsrapportage concludeerde het hof dat verdachte geen legale inkomsten of vermogen had in de betreffende periode. De uitgaven van verdachte, die niet gerelateerd waren aan levensonderhoud, werden vastgesteld op €140.781,78. Daarnaast werd rekening gehouden met een bijstandsniveau van €1.000 per maand voor levensonderhoud, wat resulteerde in een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van €162.126.
Het hof weigerde verrekening van bepaalde vorderingen die door de verdediging waren ingebracht, omdat deze niet volledig aansloten bij het wederrechtelijk voordeel dat verdachte had genoten. Uiteindelijk stelde het hof de betalingsverplichting van verdachte vast op €158.833, die aan de Staat moet worden betaald ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest werd uitgesproken op 26 oktober 2007 door de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €162.126 en legt een betalingsverplichting van €158.833 op aan verdachte.