ECLI:NL:GHSHE:2007:BB6904

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R200700206
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Pellis
  • Smeenk-van der Weijden
  • Everaars-Katerberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 RvArt. 1:163 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in beperkt hoger beroep inzake nevenvoorziening echtscheiding wegens termijnoverschrijding

Partijen zijn op 10 augustus 2001 te Nador, Marokko gehuwd. De rechtbank Breda sprak op 4 december 2006 de echtscheiding uit onder Nederlands recht, maar wees het verzoek van de man tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap af onder Marokkaans recht.

De man stelde beperkt hoger beroep in, uitsluitend gericht op de toepasselijkheid van het recht op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De echtscheidingsbeschikking kreeg op 4 maart 2007 kracht van gewijsde, waarna een termijn van zes maanden liep voor het verzoek tot inschrijving in de registers van de burgerlijke stand.

Op de zitting van het hof op 20 september 2007 bleek dat dit verzoek tot inschrijving nog niet was gedaan, waardoor de beschikking haar kracht verloor. Hierdoor verviel het belang van het hoger beroep, en verklaarde het hof de man niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Uitkomst: De man is niet-ontvankelijk verklaard in zijn beperkt hoger beroep wegens het niet tijdig indienen van het verzoek tot inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

Uitspraak

RJH
25 oktober 2007
Sector Civiel recht
Rekestnummer R200700206
Zaaknummer eerste aanleg 162643 FA RK 06-3006
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Beschikking
in de zaak in hoger beroep van:
[X.],
[woonplaats],
de man,
procureur mr. B.A. van Mens,
t e g e n
[Y.],
[woonplaats],
geïntimeerde,
de vrouw,
procureur mr. C.E.M. Renckens.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Breda van 4 december 2006, waarvan de inhoud bij hen bekend is.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 1 maart 2007, heeft de man - kort gezegd - verzocht voormelde beschikking gedeeltelijk te vernietigen en te bepalen dat Nederlands recht van toepassing is op de verdeling van de onderhavige huwelijksgoederengemeenschap en dat partijen worden veroordeeld om met elkaar over te gaan tot verdeling hiervan, met benoeming van een notaris en onzijdig persoon als volgens de wet.
2.2. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de producties, overgelegd bij het beroepschrift.
2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 september 2007. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadslieden gehoord. De vrouw is ter zitting tevens bijgestaan door een tolk.
2.4. Het hof heeft verder kennisgenomen van de brieven van de raadsman van de man van 21 september 2007, respectievelijk 27 september 2007.
3. De gronden van het hoger beroep
Het hof verwijst hiervoor naar de inhoud van het beroepschrift.
4. De beoordeling
4.1. Partijen zijn op 10 augustus 2001 te Nador, Marokko, met elkaar gehuwd.
4.2. Voornoemde rechtbank heeft bij tussen partijen gegeven beschikking van 4 december 2006 onder toepassing van Nederlands recht de echtscheiding uitge-sproken, doch zij heeft, onder toepassing van Marokkaans recht, het ook door de man gedane (neven-)verzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap afgewezen.
4.2.1. De man heeft zijn appel nadrukkelijk beperkt tot de kwestie van het op het verzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap toe te passen recht.
4.2.2. Per saldo betekent dit dat, wat betreft de tussen partijen uitgesproken echtscheiding, de beschikking van 4 december 2006 op 4 maart 2007 in kracht van gewijsde is gegaan (op die datum verstreek immers de, wat dit onderdeel aangaat, ongebruikte appeltermijn van drie maanden (zie artikel 358 Rv Pro.). Vanaf die datum kon, teneinde de ontbinding van het huwelijk te bewerkstelligen, een verzoek tot inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand worden gedaan zij het, dat ingevolge artikel 1:163 BW Pro een dergelijk verzoek had moeten zijn ingediend uiterlijk zes maanden ná de dag waarop de beschikking kracht van gewijsde kreeg. In het onderhavige geval had het verzoek tot inschrijving dan ook uiterlijk op 4 september 2007 moeten worden gedaan.
4.3. Ter voormelde zitting van het hof is evenwel gebleken, dat op 4 september 2007 nog steeds geen verzoek tot inschrijving was gedaan. Daarmee heeft de beschikking van 4 december 2006 haar kracht verloren (zie artikel 1:163 lid 3 BW Pro), zodat derhalve geen ontbinding van het huwelijk van partijen is bewerkstelligd.
Het vorenstaande heeft tot gevolg dat het belang van het door de man ingestelde hoger beroep daarmede is komen te vervallen, zodat hij (alsnog) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep.
4.4. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt er tevens toe dat niet kan worden ingegaan op het verzoek van de raadsman van de man, zoals dat is verwoord in zijn brief van 27 september 2007.
5. De beslissing
Het hof:
verklaart de man (alsnog) niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Breda van 4 december 2006.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Everaars-Katerberg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 25 oktober 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.