ECLI:NL:GHSHE:2007:BB7224
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen opheffing voorlopige hechtenis verdachte moordzaak
Verdachte wordt verdacht van moord gepleegd op 16 maart 2007. Na inverzekeringstelling is hij in voorlopige hechtenis genomen op basis van bevelen bewaring en gevangenhouding, die meerdere malen zijn verlengd. Het onderzoek ter terechtzitting begon op 4 juli 2007 en werd geschorst, waarna op 25 september 2007 een nieuwe behandeling plaatsvond door een meervoudige kamer waarvan één lid niet als rechter was benoemd.
De raadsman van verdachte stelde dat de behandeling van 25 september 2007 nietig was en dat daardoor de rechtsgrond voor voorlopige hechtenis na drie maanden was vervallen. Het hof oordeelde echter dat ondanks het ernstige gebrek de behandeling niet van rechtswege nietig was en dat de rechtsgrond voor voorlopige hechtenis bleef bestaan.
Het hof weegt het belang van de verdachte tegen dat van de maatschappij af en concludeert dat het belang van de maatschappij bij voortzetting van de voorlopige hechtenis zwaarder weegt, mede gezien de ernst van het delict. De beschikking van de raadkamer die de voorlopige hechtenis opheft wordt vernietigd en het verzoek tot opheffing afgewezen.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af en vernietigt de beschikking van de raadkamer.