ECLI:NL:GHSHE:2007:BB9576

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
29 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R200700268
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Gründemann
  • Bijleveld-van der Slikke
  • Raab
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep onderhoudsbijdrage meerderjarige kinderen bij inkomen onder bijstandsniveau

De man was gehuwd geweest met de vrouw en heeft drie inmiddels meerderjarige kinderen. Hij was verplicht onderhoudsbijdragen te betalen, vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Arnhem in 2000 en bekrachtigd door het hof Arnhem in 2002. De man stelde in hoger beroep dat hij geen draagkracht had vanwege een inkomen onder bijstandsniveau en verzocht om vrijstelling van betaling.

Het hof nam kennis van de financiële stukken van de man over de jaren 1999 tot 2005 en constateerde dat zijn inkomen inderdaad onder het bijstandsniveau lag. De man had echter nagelaten een aanvullende bijstandsuitkering aan te vragen en gaf onvoldoende inzicht in zijn lasten. Het hof oordeelde dat hij daardoor bewust zijn financiële situatie niet volledig had weergegeven en dat hij zijn verplichtingen niet kon ontlopen.

Het hof bepaalde dat de man vanaf 1 november 1999 een fictief inkomen van ten minste 90% van de bijstandsnorm moest worden aangenomen en dat hij op basis daarvan onderhoudsbijdragen moest betalen. De bijdrage werd vastgesteld op in totaal € 6.952,40 voor de periode tot 1 april 2007. Het incidenteel appel van de vrouw en kinderen werd verworpen en de proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: De man is gehouden onderhoudsbijdragen te betalen aan zijn meerderjarige kinderen ondanks een inkomen onder bijstandsniveau, vastgesteld op € 6.952,40 over de periode 1999-2007.

Uitspraak

PJ
29 november 2007
Sector Civiel recht
Rekestnummer R200700268
Zaaknummer eerste aanleg 154973 FA RK 06-5
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Beschikking
in de zaak in hoger beroep van:
[A.],
wonende te [woonplaats],
appellant in principaal appel,
geïntimeerde in incidenteel appel,
de man,
procureur: mr. J.E. Lenglet;
t e g e n
1. [B.],
wonende te [woonplaats],
de vrouw,
2. [meerderjarige zoon Y.] ,
wonende te [woonplaats],
3. [meerderjarige dochter X.] ,
wonende te [woonplaats],
4. [meerderjarige dochter Z.] ,
wonende te [woonplaats],
de kinderen,
geïntimeerden in principaal appel,
appellanten in incidenteel appel,
procureur: mr. R.F.W. van Seumeren.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 9 januari 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 14 maart 2007, heeft de man verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de man voldoende draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding c.q. levensonderhoud en studie van de hierna te noemen, thans meerderjarige kinderen van partijen, [meerderjarige zoon Y.], [meerderjarige dochter X.] en [meerderjarige dochter Z.] op grond waarvan hij gehouden zou zijn deze bijdragen te betalen en daarbij te bepalen, primair dat het de man reeds van aanvang af (1 november 1999), dan wel vanaf enig ander moment in het verleden gelegen, aan draagkracht ontbreekt om enig bedrag te betalen in verband met kosten van verzorging en opvoeding c.q. levensonderhoud en studie van [meerderjarige zoon Y.], [meerderjarige dochter X.] en [meerderjarige dochter Z.], subsidiair dat het de man met ingang van december 2005 (datum indiening verzoekschrift), dan wel datum beschikking, aan draagkracht ontbreekt om enig bedrag te betalen in verband met de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van [meerderjarige dochter Z.].
2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 april 2007, hebben de vrouw en de kinderen het verzoek van de man bestreden. Daarbij hebben zij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld en daarin verzocht voormelde beschikking te vernietigen, voor zover de man is ontvangen in zijn verzoeken over de periode 1 september 1999 tot en met februari 2002 en de man over die periode alsnog niet-ontvankelijk [ meerderjarige dochter Z.] te verklaren.
2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 4 mei 2007, heeft de man het verzoek van de vrouw en de kinderen in het incidenteel appel bestreden.
2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en verweerschrift / incidenteel beroepschrift;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 21 december 2006;
- de brief met bijlagen van de advocaat van de man van 29 maart 2007;
- de brief met bijlagen van de advocaat van de man van 27 augustus 2007;
- de brief van de advocaat van de vrouw en de kinderen van 1 oktober 2007.
2.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 september 2007.
Bij die gelegenheid zijn de man en de advocaten van partijen gehoord. De vrouw en de kinderen zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet in persoon verschenen.
3. De gronden van het hoger beroep
Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift en het incidenteel beroepschrift.
4. De beoordeling
4.1. De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest van 4 augustus 1980 tot 10 juni 1988. Uit dat huwelijk zijn drie, thans meerderjarige, kinderen geboren, te weten:
- [meerderjarige zoon Y.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar];
- [meerderjarige dochter X.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar];
- [meerderjarige dochter Z.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar].
4.2. De door de man voor de kinderen te betalen onderhoudsbijdragen zijn, voor zover thans van belang, bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 29 augustus 2000 met ingang van 1 november 1999 vastgesteld op ƒ 300,-- (€ 136,13) per kind per maand. Die beschikking is bij verstek gegeven.
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen die beschikking. Bij beschikking van 19 februari 2002 heeft het hof Arnhem die beschikking bekrachtigd. Het hof overwoog daartoe, kort weergegeven, van oordeel te zijn dat de man onvoldoende inzicht had gegeven in zijn financiële omstandigheden in de gehele periode vanaf 1 november 1999.
De man heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het hof Arnhem. Bij beschikking van 6 juni 2003 heeft de Hoge Raad dat beroep zonder nadere motivering onder verwijzing naar artikel 81 RO Pro verworpen.
4.3. Bij zijn inleidend verzoekschrift heeft de man andermaal verzocht met ingang van 1 november 1999 te worden bevrijd van zijn verplichting tot betaling van onderhoudsbijdragen voor de kinderen.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de bijdragen voor [meerderjarige zoon Y.] en [meerderjarige dochter X.] op grond van het ontbreken van behoefte nader vastgesteld op nihil met ingang van respectievelijk 1 september 2003 en 1 december 2003. Het meer of anders verzochte wees de rechtbank af. De rechtbank was van oordeel, kort weergegeven, dat de man zijn verzoek onvoldoende had onderbouwd.
[Meerderjarige dochter Z.] is op [verjaardagsdatum] eenentwintig jaar geworden. Vanaf dat moment is de man ook voor haar geen bijdrage meer verschuldigd.
4.4. Het door de vrouw ingestelde incidenteel appel strekt ertoe dat de rechtbank de man niet had mogen ontvangen in zijn verzoek, voor zover dat betrekking heeft op de periode van 1 september 1999 tot en met februari 2002, omdat met betrekking tot die periode al eerder door drie instanties onherroepelijk is beslist over de kinderalimentatie.
Het hof overweegt dat de man zich tot de rechtbank heeft gewend met een verzoek dat was gebaseerd op juiste rechtsgronden, zodat de rechtbank hem terecht in zijn verzoek heeft ontvangen. De leer van het gezag van gewijsde vindt immers hier geen toepassing, gelet op het bepaalde in artikel 1:401 BW Pro dat het de man mogelijk maakt zijn zaak opnieuw voor te leggen aan de rechter wanneer de omstandigheden zich wijzigen of indien bij een eerdere rechterlijke uitspraak is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens.
4.5. Voor het eerst in dit geding in hoger beroep heeft de man zijn aangiften IB./Ph. en de daarop gevolgde aanslagen over de jaren 1999 t/m 2004 in het geding gebracht, alsmede de voorlopige aanslag IB./Ph. 2005. Deze stukken acht het hof voldoende relevant om voor wat betreft het inkomen van de man tot uitgangspunt te worden genomen.
Overigens heeft de man nog steeds niet verklaard waarom hij niet veel eerder kopieën van de aangiften en aanslagen IB./Ph. met betrekking tot de jaren 1999 en 2000 bij de belastingdienst heeft opgevraagd, waarna hij deze (voor zover toen beschikbaar) had kunnen inbrengen in de in 2001 bij het hof Arnhem gevoerde procedure.
Wat daarvan verder ook zij, thans staat genoegzaam vast dat destijds door het hof Arnhem is uitgegaan van onvolledige gegevens. Dat die onvolledigheid aan de man zelf te wijten is geweest, kan op grond van vaste jurisprudentie niet tot gevolg hebben dat de draagkracht van de man niet vanaf november 1999 opnieuw zou kunnen worden beoordeeld.
4.6. Op grond van de inhoud van voormelde aangiften tot en met 2004 stelt het hof vast dat het gemiddelde inkomen van de man vanaf november 1999 in aanzienlijke mate beneden bijstandsniveau heeft gelegen.
Van belang is dat de man zeer geruime tijd beneden bijstandsniveau heeft geleefd, terwijl niet is gebleken dat hij geld heeft geleend of gekregen om mede in de kosten van zijn levensonderhoud te voorzien en hij evenmin een aanvullende bijstandsuitkering heeft aangevraagd en ontvangen omdat hij, zoals hij desgevraagd tegenover het hof heeft verklaard, deze niet heeft willen aanvragen aangezien hij zich daarbij niet prettig zou hebben gevoeld.
Een en ander heeft bij het hof de vraag opgeroepen waarvan de man vanaf november 1999 heeft geleefd, temeer omdat hij geen, althans op volstrekt onvoldoende wijze, inzicht heeft gegeven in zijn lasten vanaf dat tijdstip.
Vragen van de vrouw en van het hof dienaangaande heeft de man niet genoegzaam beantwoord. Het hof heeft de man tijdens de mondelinge behandeling vervolgens voorgehouden dat uit een en ander slechts kan worden geconcludeerd dat zijn behoefte dan kennelijk heel laag moet zijn geweest.
De man heeft dat ontkend noch bevestigd; hij heeft slechts gezegd dat hij “moeizaam” heeft geleefd.
De man had naar het oordeel van het hof moeten en kunnen beseffen dat van hem verlangd zou worden dat hij op genoegzame wijze inzicht zou bieden in zijn rechtens relevante lasten, opdat het hof een indruk zou kunnen krijgen van zijn draagkracht. Dat hij dat heeft nagelaten komt voor rekening en risico van de man.
4.7. Gelet op de dringende wettelijke verplichting van de man tot betaling van onderhoudsbijdragen voor de kinderen, had de man naar het oordeel van het hof niet mogen afzien van zijn recht op een aanvullende bijstandsuitkering. In ieder geval had van de man dan verwacht mogen worden dat hij zich meer zou inspannen om inkomen tenminste op bijstandsniveau te vergaren. Hij zou dan een ruimer financieel budget ter beschikking hebben gehad dan hij vanaf november 1999 daadwerkelijk heeft gehad, terwijl de financiële middelen die hem in feite ter beschikking hebben gestaan, zoals op grond van hetgeen hiervoor is overwogen moet worden aangenomen, kennelijk voldoende zijn geweest om in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan te voorzien.
De man heeft de behoefte van de kinderen aan de door hem voor hen te betalen onderhoudsbijdragen niet, althans onvoldoende, betwist. Hij had er zich bewust van moeten zijn dat de verzorging en opvoeding respectievelijk het levensonderhoud en de studie van de kinderen zonder een bijdrage zijnerzijds in de kosten daarvan op een niveau zouden plaatsvinden dat duidelijk zou liggen beneden de behoefte van de kinderen. Dat hij, kennelijk weloverwogen, niettemin heeft nagelaten een aanvullende bijstandsuitkering aan te vragen, valt naar het oordeel van het hof dan ook slechts te kwalificeren als aan hem verwijtbaar gedrag.
4.8. Ook in de bijzondere omstandigheden van dit geval kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgegaan van een fictief inkomen van de man, lager dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm (die voor een zelfstandig wonende alleenstaande).
Daarom zal het hof bepalen dat de man vanaf 1 november 1999 steeds 10% van de voor hem geldende bijstandsnorm aan onderhoudsbijdragen voor de kinderen had moeten besteden. Dat bedrag dient de man te betalen ongeacht het aantal onderhoudsgerechtigden, met andere woorden: van 1 november 1999 tot 1 september 2003 is de man dit bedrag verschuldigd voor drie onderhoudsgerech-tigden, van 1 september 2003 tot 1 december 2003 voor twee onderhoudsgerechtigden en van 1 december 2003 tot 1 april 2007 voor één onderhoudsgerechtigde.
4.9. Het hof berekent het totaal van de door de man voor de kinderen te betalen bijdragen in de kosten van hun verzorging en opvoeding respectievelijk hun levensonderhoud en studie gedurende de periode van 1 november 1999 tot 1 april 2007 als volgt, waarbij de bedragen van de bijstandsnorm in guldens zijn omgerekend en afgerond op hele euro’s en vervolgens gedeeld door 10:
november en december 1999 2 x € 67,60 = € 135,20
januari t/m juni 2000 6 x € 68,90 = € 413,40
juli t/m december 2000 6 x € 69,80 = € 418,80
januari t/m juni 2001 6 x € 73,60 = € 441,60
juli t/m december 2001 6 x € 74,70 = € 448,20
januari t/m juni 2002 6 x € 77,00 = € 462,00
juli t/m december 2002 6 x € 78,00 = € 468,00
januari t/m juni 2003 6 x € 79,60 = € 477,60
juli t/m december 2003 6 x € 79,70 = € 478,20
januari t/m juni 2004 6 x € 81,00 = € 486,00
juli t/m december 2004 6 x € 80,60 = € 483,60
januari t/m juni 2005 6 x € 80,50 = € 483,00
juli t/m december 2005 6 x € 80,80 = € 484,80
januari t/m juni 2006 6 x € 84,10 = € 504,60
juli t/m december 2006 6 x € 84,60 = € 507,60
januari t/m maart 2007 3 x € 86,60 = € 259,80
totaal € 6.952,40
Nu het gaat om een afgesloten periode in het verleden en de meerderjarige kinderen hun moeder hebben gemachtigd om namens hen te procederen zal het hof bepalen dat de man voormeld bedrag aan de vrouw moet betalen. Aan de hand van de in deze beschikking opgenomen informatie zal zij dan zelf kunnen bepalen welk deel van het totale bedrag voor welk kind bestemd is.
4.10. Aan het vorenstaande kan onder de bijzondere omstandigheden van dit geval niet afdoen het gegeven dat in het algemeen geen draagkracht kan worden aangenomen bij een onderhoudsplichtige wiens inkomen op of beneden bijstandsniveau ligt.
4.11. Na het vorenstaande behoeven de grieven van de man geen afzonderlijke bespreking.
4.12. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is van de zijde van de vrouw verzocht de man te veroordelen in de op het hoger beroep gevallen proceskosten.
Dat verzoek wijst het hof af. In zaken als de onderhavige worden proceskosten in beginsel tussen partijen gecompenseerd. Noch op grond van het van de zijde van de vrouw gestelde, noch anderszins vindt het hof aanleiding om in het onderha-vige geval van dat beginsel af te wijken.
5. De beslissing
Het hof:
in het principaal appel:
vernietigt de op 9 januari 2007 door de rechtbank Breda tussen partijen gegeven beschikking, voor zover daarbij werd afgewezen het meer of anders door de man verzochte;
in zoverre opnieuw rechtdoende:
stelt, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Arnhem van 29 augustus 2000, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding/levensonderhoud en studie van:
- [meerderjarige zoon Y.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar],
over de periode van 1 november 1999 tot 1 september 2003,
- [meerderjarige dochter X.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar],
over de periode van 1 november 1999 tot 1 december 2003,
- [meerderjarige dochter Z.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar].
over de periode van 1 november 1999 tot 1 april 2007,
nader vast op in totaal € 6.952,40.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
in het incidenteel appel:
verwerpt het beroep;
in het principaal en incidenteel appel voorts:
compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Gründemann, Bijleveld-van der Slikke en Raab en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 29 november 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.