ECLI:NL:GHSHE:2007:BC1230

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
20-000865-07
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.H.J.M. Mertens - Steeghs
  • F. van Es
  • G.D. Noordijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 344 SvArt. 153 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens gebrek aan wettige bewijsmiddelen bij overtreding plaatselijke verordening

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het gebruik en bezit van harddrugs op een openbare weg in Eindhoven. In hoger beroep wijzigde de tenlastelegging zich en werd onderzocht of verdachte op of omstreeks 21 februari 2006 harddrugs gebruikte en/of voorwerpen of stoffen (heroïne en/of cocaïne) openlijk voorhanden had.

Het hof beoordeelde het bewijs, bestaande uit een oproeping en een elektronisch ingevoerd proces-verbaal, en concludeerde dat deze documenten niet voldoen aan de vereisten van artikel 344, eerste lid onder 2, van het Wetboek van Strafvordering. De oproeping was niet ondertekend door de bekeurende ambtenaar, bevatte geen redenen van wetenschap, en de aanvullende tekst op de achterzijde was niet ondertekend of verwezen op de voorzijde.

Ook het elektronische proces-verbaal was niet persoonlijk opgemaakt of ondertekend door de opsporingsambtenaar en voldoet niet aan artikel 153, tweede lid, Sv. Hierdoor ontbrak de noodzakelijke bewijskracht om het tenlastegelegde feit te bewijzen. Het hof oordeelde dat zonder aanvullend bewijs het tenlastegelegde niet bewezen kon worden en sprak verdachte vrij.

Het vonnis van de kantonrechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door verdachte vrij te spreken van de tenlastelegging.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen.

Uitspraak

Parketnummer: 20-000865-07
Uitspraak : 28 december 2007
TEGENSPRAAK
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter te Eindhoven van 16 februari 2007 in de strafzaak met parketnummer 01-711585-06 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
wonende te [woonplaats], [adres].
Hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een hechtenisstraf voor de duur van 2 dagen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.
Tenlastelegging
Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 21 februari 2006 te Eindhoven, op of aan de weg, de Nieuwstraat, harddrugs heeft gebruikt en/of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen (heroïne en of cocaïne) openlijk voorhanden heeft gehad.
Vrijspraak
Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan wordt vrijgesproken.
In het dossier bevindt zich een oproeping, zijnde een voorbedrukt formulier dat ingevuld dient te worden. Als gedraging vermeldt de oproeping: “op de weg voor publiek harddrugs gebruiken, toedienen, voorbereiden of voorwerpen voorhanden hebben”. Bij deze gedraging zijn geen redenen van wetenschap vermeld.
Dit document is door de ambtenaar ondertekend en gedagtekend, waarbij het hokje ambtsbelofte is aangevinkt. Na de ondertekening vermeldt het document onder het kopje surveillancerapport, een niet leesbare naam en voorletter van de rapporteur. Daarbij is niet vermeld of rapporteur opsporingsambtenaar is.
Als verklaring van de verdachte is, onder de handtekening van rapporteur, vermeld: “dicht bolletje cocaïne voorhanden”.
Op de achterzijde van het surveillancerapport staat naast het kopje Opmerking ambtenaar:
“Ve had een wit bolletje in haar handen. Ze verklaarde zelf dat het cocaïne was. Verdachte zat in portiek samen met andere drugsgebruikers”. Ook hier zijn geen redenen van wetenschap vermeld.
Deze tekst is niet van een handtekening voorzien, noch bevat de voorzijde van de oproeping een verwijzing naar de tekst op de achterzijde op grond waarvan geacht kan worden dat de tekst op de achterzijde valt onder de handtekening van de rapporteur.
Dit stuk kan dan ook niet worden aangemerkt als een proces-verbaal als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 2, van het Wetboek van Strafvordering.
Voorts bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van de regiopolitie, waarin wordt gemeld dat [naam verbalisant] opsporingsambtenaar is. Blijkens de mededeling onder dat proces-verbaal, dat het een elektronische invoer conform het bijgaande concept proces-verbaal (eerdergenoemd oproeping / surveillancerapport) betreft, is dit proces-verbaal, hoewel het dit wel suggereert, niet persoonlijk door [naam verbalisant] opgemaakt. Evenmin is het door hem ondertekend. Bovendien bevat dit document wel redenen van wetenschap, terwijl die in de oproeping/het surveillancerapport niet zijn vermeld. Derhalve kan niet worden gezegd dat het voldoet aan de vereisten van artikel 153, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en kan dit stuk evenmin worden aangemerkt als een proces-verbaal als bedoeld in genoemd artikel 344, eerste lid onder 2 van het Wetboek van Strafvordering.
Naar het oordeel van het hof zijn de oproeping en het naar aanleiding daarvan door middel van elektronische invoer tot stand gekomen, als zodanig door de politieorganisatie gekwalificeerd, proces-verbaal, ook niet tezamen, als één proces-verbaal, als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 2 van het Wetboek van Strafvordering, waaraan de bewijskracht toekomt dat verdachte het tenlastegelegde feit begaan heeft, aan te merken.
Het hof is van oordeel dat de oproeping en het proces-verbaal de bewijswaarde hebben van een ander geschrift in de zin van art. 344 lid 1 onder Pro 5 Wetboek van Strafvordering met dien verstande dat ze niet als twee afzonderlijke geschriften tot het bewijs kunnen worden gebezigd nu het elektronische proces-verbaal op geen enkele wijze de waarneming van de ambtenaar die de oproeping heeft opgemaakt ondersteunt en het uitsluitend een afgeleide is van de oproeping.
Aldus kan het tenlastegelegde feit alleen bewezen worden indien er naast de oproeping en het elektronische proces-verbaal bewijs van het tenlastegelegde voorhanden is. Dergelijk ander bewijs is er niet.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. J.H.J.M. Mertens - Steeghs, voorzitter,
mr. F. van Es en mr. G.D. Noordijk,
in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, griffier,
en op 28 december 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Noordijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.