ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2156

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R200701036
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Pellis
  • Smeenk-van der Weijden
  • Everaars - Katerberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:435 BWArt. 1:452 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging bewindvoering en mentorschap bij verdeeldheid tussen erfgenamen

De vrouw, verblijvend in een zorgcentrum, was wegens haar lichamelijke en geestelijke toestand niet in staat haar belangen zelf waar te nemen. De kantonrechter stelde een bewind en mentorschap in en benoemde een derde als bewindvoerder en mentor vanwege verdeeldheid tussen haar zonen over de benoeming.

De vrouw ging in hoger beroep tegen de benoeming van de derde en gaf aan haar jongste zoon en diens echtgenote als bewindvoerder en mentor te willen, omdat zij al jaren voor haar zorgden en hij haar financiën regelde. De andere zonen waren tegen deze benoeming vanwege wantrouwen en gebrekkige communicatie.

Het hof oordeelde dat de voorkeur van de vrouw niet voldoende vaststond gezien haar geestelijke gesteldheid. Daarnaast waren er gegronde redenen om van haar voorkeur af te wijken, namelijk het wantrouwen tussen de broers en het gebrek aan transparantie van de jongste zoon over de financiële administratie.

Het hof vond het in het belang van de vrouw dat een onafhankelijke derde werd benoemd als bewindvoerder en mentor, waarbij de zonen en echtgenote zorg konden blijven bieden in overleg met de bewindvoerder. De beschikking van de kantonrechter werd daarom bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking tot bewindvoering en mentorschap door een derde, ondanks de voorkeur van de vrouw voor haar jongste zoon en diens echtgenote.

Uitspraak

MvO
17 januari 2008
Sector civiel recht
Rekestnummer R200701036
Zaaknummer eerste aanleg 434256 OV VERZ 07-563 en 434264 OV VERZ 07-564
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Beschikking
In de zaak in hoger beroep van:
[A.],
wonende en verblijvende in Zorgcentrum De IJpelaar te [woonplaats],
appellante,
hierna: de vrouw,
procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda, sector kanton, van 19 juni 2007, waarbij een bewind is ingesteld over alle goederen die de vrouw toebehoren of zullen toebehoren alsmede een mentorschap over de vrouw. Bij deze beschikking is mevrouw [X.] tot bewindvoerder en mentor benoemd.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 19 september 2007, heeft de vrouw verzocht eerdergenoemde beschikking te vernietigen voor wat betreft de benoeming van mevrouw [X.] tot bewindvoerder en mentor en, opnieuw rechtdoende, de heer [Y.] tot bewindvoerder te benoemen en mevrouw [Z.] tot mentor.
2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 26 oktober 2007, hebben de heer [B.] en de heer [C.] als belanghebbenden het hof verzocht de eerdergenoemde beschikking te bekrachtigen.
2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 29 oktober 2007, heeft mevrouw [X.], in haar hoedanigheid van bewindvoerder en mentor, als belanghebbende het hof, voor zover hier van belang, verzocht de eerdergenoemde beschikking te bekrachtigen.
2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 november 2007. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. A.E. Kuik;
- de heer [B.] en de heer [C.], zonen van de vrouw, bijgestaan door mr. A.C.M. Mulder;
- de heer [Y.], zoon van de vrouw, en zijn echtgenote, mevrouw [Z.], bijgestaan door mr. P.F.M. Gulickx;
- mevrouw [X.] (bewindvoerder en mentor).
2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift van mevrouw [X.];
- de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.dis 29 mei 2007 en 18 juni 2007;
- de brief met bijlagen van de advocaat van de heer [Y.] d.d. 13 november 2007.
3. De gronden van het hoger beroep
Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.
4. De beoordeling
4.1. Bij verzoekschrift ingekomen bij de rechtbank d.d. 21 februari 2007, heeft, voor zover thans nog van belang, [Y.] (de jongste zoon van de vrouw) de kantonrechter verzocht een bewind in te stellen over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de vrouw alsmede een mentorschap, onder gelijktijdige benoeming van verzoeker tot bewindvoerder en zijn echtgenote [Z.] tot mentor.
4.2. De kantonrechter heeft het verzoek tot instelling van een bewind alsmede mentorschap toegewezen, omdat uit de stukken en de behandeling ter terechtzitting voldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is zelf ten volle haar belangen van vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat de beide broers van verzoeker instemmen met de onderbewindstelling en het instellen van een mentorschap, doch dat zij absoluut tegen de benoeming van hun jongste broer tot bewindvoerder en tegen de benoeming van diens echtgenote tot mentor zijn. De kantonrechter heeft, gezien deze verdeeldheid, en gelet op het feit dat ten aanzien van de benoeming tot mentor de wens van de vrouw niet bekend is, besloten een derde tot bewindvoerder en mentor te benoemen.
Van deze beschikking komt de vrouw in hoger beroep.
4.3. De vrouw stelt in haar beroepschrift, kort gezegd, dat zij geen bezwaar heeft tegen de instelling van een bewind en mentorschap, doch wel tegen de benoeming van een derde tot bewindvoerder en mentor. Ten onrechte is de kantonrechter voorbijgegaan aan de uitdrukkelijke en herhaaldelijke mondelinge voorkeur van de vrouw. Er zijn geen gegronde redenen om van deze voorkeur af te wijken, aldus de vrouw, nu haar jongste zoon [Y.] en diens echtgenote bereid en geschikt zijn. [Y.] en diens echtgenote [Z.], hebben zich de afgelopen 10 jaar over haar ontfermd en sinds 2002 regelt [Y.] ook haar financiën. De vrouw had met haar andere zoons een minder goed en intensief contact.
De kantonrechter heeft, aldus nog steeds de vrouw in haar beroepschrift, ten onrechte overwogen dat de wens van de vrouw met betrekking tot de benoeming van een mentor niet bekend is nu uit de aantekeningen van de griffier van het verhoor d.d. 29 mei 2007 blijkt dat zij de voorkeur geeft aan haar jongste zoon als bewindvoerder en diens echtgenote als mentor.
4.4. In het verweerschrift van [C.] (de oudste zoon van de vrouw) en [B.] (de middelste zoon van de vrouw) wordt, kort gezegd, gesteld dat er, gelet op concrete gebeurtenissen in het verleden, wel degelijk gronden zijn om [Y.] en diens echtgenote niet te benoemen tot bewindvoerder, respectievelijk mentor. Zij betwisten dat zij een minder goed en intensief contact hebben met de vrouw. Verder betwijfelen zij of de vrouw zich gezien haar geestelijke toestand bewust is van de bewindvoering en het mentorschap: de vrouw kan hun inziens dus niet zelf haar voorkeur voor een bewindvoerder en mentor uitspreken. Zij zijn van mening dat mevrouw [X.] zich als goed bewindvoerder gedraagt en achten het niet in het belang van de vrouw dat dit wordt gewijzigd. Ter zitting hebben de beide broers erkend dat [Y.] en zijn echtgenote goed voor de vrouw zorgen. Zij geven er echter de voorkeur aan dat mevrouw [X.] benoemd blijft als mentor, omdat [Y.] nooit tijdig met zijn beide broers communiceert omtrent beslissingen die de vrouw betreffen.
4.5. In haar verweerschrift stelt mevrouw [X.] in haar hoedanigheid van bewind-voerder dat er voorafgaand aan het bewind sprake was van een Postbankrekening en een ABN AMRO Bonus spaarrekening, beide ten name van [A.] (de vrouw) en/of [Y.]. [Y.] heeft de bewindvoerder omtrent het bestaan van de spaarrekening niet uit eigen beweging informatie verstrekt. Na oproeping door de kantonrechter te Breda, d.d. 25 september 2007, heeft [Y.] weliswaar medewerking verleend aan de opheffing van het mederekeninghouderschap van de postbankrekening, doch niet van de spaarrekening bij de ABN AMRO. De bewindvoerder is van mening dat, nu is gebleken dat [Y.] de belangen van de vrouw op geheel eigen wijze behartigt, de vrouw niet gebaat is bij een wijziging van bewindvoerder of mentor. Ter zitting heeft zij aangegeven dat [Y.] nog steeds geen inzicht heeft verschaft omtrent deze spaarrekening.
4.6. Gelet op de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, overweegt het hof als volgt.
4.6.1. Op grond van artikel 1: 435, derde lid BW, dient de rechter bij de benoeming van een bewindvoerder in beginsel de uitdrukkelijke wens van de rechthebbende te volgen, tenzij gegronde redenen zich tegen een zodanige benoeming verzetten. Artikel 1: 452, derde lid BW bevat eenzelfde regeling ten aanzien van de benoeming van een mentor.
Het hof is van oordeel dat, gezien de geestelijke gesteldheid waarvan de vrouw tijdens de zitting in hoger beroep blijk heeft gegeven, de in het beroepschrift gestelde uitdrukkelijke voorkeur niet voldoende is komen vast te staan.
4.6.2. Zo dit echter wel het geval zou zijn geweest, is het hof van oordeel dat er ook dan voldoende gegronde redenen zijn om af te wijken van deze voorkeur.
Het hof heeft op basis van de stukken en hetgeen tijdens de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken vastgesteld, dat er tussen de oudste zonen van de vrouw enerzijds en de jongste zoon en diens echtgenote anderzijds veel wederzijds wantrouwen bestaat. Bovendien heeft [Y.] naar het oordeel van het hof onvoldoende transparantie betracht ten aanzien van de financiële administratie van de vrouw en onvoldoende met zijn broers gecommuniceerd omtrent beslissingen de vrouw betreffende.
Het hof acht het dan ook in het belang van de vrouw dat een derde, in dit geval mevrouw [X.], haar bewindvoerder en mentor is. Dit laat overigens onverlet dat [Y.] en zijn echtgenote en ook [C.] en [B.] zorg kunnen (blijven) bieden aan de vrouw, voor zover nodig in overleg met mevrouw [X.].
4.6.3. Gelet op het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
5. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, de beschikking van de rechtbank Breda, sector kanton, van 19 juni 2007.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Everaars - Katerberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.