ECLI:NL:GHSHE:2008:BC3293

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C0700124-BR
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Etten
  • Den Hartog Jager
  • Van den Bergh
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 332 lid 1 RvArt. 332 lid 3 RvHR 6 februari 2004, NJ 2004/271HR 9 oktober 1992, NJ 1992/771Artikel 137 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken reconventionele vordering bij huurgeschil onder €1.750

In deze civiele zaak vordert verhuurster betaling van achterstallige huur en kosten van huurder, met een totale eis van ongeveer €1.351,-. Huurder stelt dat hij zijn huur heeft betaald door verrekening met de borg en een te late oplevering van de kamer, en voert hoger beroep aan tegen het vonnis van de kantonrechter Breda.

De kern van het geschil betreft de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Huurder betoogt dat zijn verweer in eerste aanleg als een reconventionele vordering moet worden aangemerkt, zodat de optelregel van artikel 332 lid 3 Rv Pro van toepassing is en het hoger beroep ontvankelijk is. Het hof onderzoekt deze stelling en concludeert dat in de brief van de vader van huurder geen eis in reconventie kan worden gelezen, maar slechts een beroep op verrekening.

Omdat het verweer niet als reconventionele vordering kwalificeert, blijft de totale waarde van de vordering onder de €1.750,-, waardoor het hoger beroep niet ontvankelijk is. De overige grieven worden niet inhoudelijk behandeld. Huurder wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het arrest is gewezen door het hof 's-Hertogenbosch op 15 januari 2008.

Uitkomst: Het hoger beroep van huurder wordt verworpen wegens niet-ontvankelijkheid omdat geen reconventionele vordering is ingesteld.

Uitspraak

C0700124/BR
ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,
sector civiel recht,
zevende kamer, van 15 januari 2008,
gewezen in de zaak van:
[huurder],
wonende te [woonplaats],
appellant bij exploot van dagvaarding van 29 december 2006,
verder te noemen: huurder,
advocaat: mr. R.A.W. van Oudheusden,
procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,
tegen:
[verhuurster],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde bij gemeld exploot,
verder te noemen: verhuurster,
advocaat: mr. J. Verbeeke,
procureur: mr. E.H.H. Schelhaas,
op het hoger beroep van het onder zaak/rolnr. 401900/06-4442 door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda, gewezen vonnis van 4 oktober 2006 tussen verhuurster als eiseres en huurder als gedaagde.
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het (comparitie)- vonnis van 28 juni 2006.
2. Het verloop van het geding in hoger beroep
2.1. Bij memorie van grieven heeft huurder betoogd ontvankelijk te zijn in hoger beroep en voorts 8 grieven aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd tot vernietiging van de genoemde vonnissen en, kort gezegd, tot terugbetaling van enkele bedragen en tot vaststelling van het voorschot op de servicekosten.
2.2. Bij memorie van antwoord heeft verhuurster aangevoerd dat huurder niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep en de grieven bestreden.
2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.
3. De gronden van het hoger beroep
Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar de memorie van grieven.
4. De beoordeling
4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.
4.1.1. Bij inleidende dagvaarding heeft verhuurster gevorderd huurder te veroordelen tot het betalen ter zake van huur- achterstand: € 626,08 en ter zake van kosten en rente tot de dag der dagvaarding: € 495,36, derhalve een totaal van
€ 1.121,44, met wettelijke rente over de achterstand vanaf de dag der dagvaarding en van de proceskosten.
4.1.2. In de loop van de procedure is de eis verhoogd met een bedrag van € 229,56 aan achterstallige huur tot in totaal
€ 1.351,-.
4.1.3. Bij brief van 30 mei 2006 heeft (de vader van) huurder verweer gevoerd. Voor zover hier van belang wordt geschreven:
(…)
Zoals vermeldt in mijn brief (…) heeft mijn zoon zijn huur voldaan, rekening houdend met de borgstelling welke mijn zoon denk ik nooit terug zal krijgen.
(…)
Toen mijn zoon destijds de kamer betrok was dat twee weken later dan was afgesproken, kamer was niet klaar. Mijn zoon had echter wel zijn huur betaald voor deze periode. Ik heb daarover uitvoerig gecorrespondeerd (…), maar mevr. [verhuurster] heeft nooit de teveel betaalde huur teruggestort, (…). Nu begrijpt u ook wel dat ik die weken nu ga verrekenen.
(…)
4.1.4. In de brief van 29 juni 2006 schrijft (de vader van) huurder onder meer: Mijn zoon heeft dus zijn huur betaald met verrekening van de borg, welke hij destijds heeft betaald en de twee weken huur, daar de kamer niet op de afgesproken datum klaar was.
4.1.5. In het eindvonnis van 4 oktober 2006 heeft de kantonrechter huurder veroordeeld om verhuurster € 1.326,- te betalen vermeerderd met de wettelijke rente over EUR 939,12 vanaf de dag der dagvaarding. Huurder is tevens in de proceskosten veroordeeld.
4.2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep.
4.2.1. Voor zover in (het petitum van) de memorie van grieven het hoger beroep wordt uitgebreid door tevens de vernietiging van het comparitievonnis te vorderen, is dat hoger beroep niet-ontvankelijk omdat tegen dat comparitievonnis geen grieven zijn gericht.
4.2.2. Partijen twisten over de vraag of het hoger beroep tegen het eindvonnis ontvankelijk is omdat artikel 332 lid 1 Rv Pro hoger beroep mogelijk maakt, ‘tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan
€ 1.750,-‘ en lid 3 bepaalt dat, in het geval in eerste aanleg een eis in reconventie was ingesteld, dat voor de toepassing van het eerste lid beslissend is het totale beloop of de totale waarde van de vordering in conventie en van de vordering in reconventie.
4.2.3. In het licht van dit lid 3 luidt grief 1:
Ten onrechte heeft de kantonrechter het verweer van [huurder], inhoudende dat hij de huurbetalingsverplichting heeft opgeschorst teneinde de mogelijkheid te creëren om deze vervolgens te verrekenen met de door hem betaalde borg en zijn aanspraak uit hoofde van de teruggave van de twee weken huur, die hij teveel betaald had, omdat hij pas twee weken later dan gepland de beschikking kreeg over het gehuurde, niet aangemerkt als een reconventionele vordering van [huurder].
4.2.4. In HR 6 februari 2004, NJ 2004/271, werd onder meer overwogen:
3.3. Ook voor zover het gaat om de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep is de appelrechter gebonden aan hetgeen de rechter in eerste aanleg heeft vastgesteld omtrent het beloop van de aan hem voorgelegde vordering, tenzij daartegen een grief is gericht.
De advocaat-generaal merkte op onder 2.9:
Bij de beoordeling van de appellabiliteit gaat het, zoals gezegd, uitsluitend om de vordering waarover diende te worden gevonnist. Daarmee is de rechtszekerheid gediend. Zou men (…) dan heeft een gedaagde het in de hand of een vonnis appellabel is of niet. Dit is in strijd met het systeem.
4.2.5. Aanstonds is duidelijk dat de vordering waarover de kantonrechter, in zijn uitleg van het verweer van huurder, heeft geoordeeld een waarde heeft van onder de € 1.750,-. De kantonrechter heeft immers het verweer van huurder niet aangemerkt als een reconventionele vordering.
Als nu grief 1 slaagt - en vast komt te staan dat in eerste aanleg wel een reconventionele eis is ingesteld en dat die van zodanige omvang is dat de vorderingen in conventie en reconventie het bedrag van € 1.750,- te boven gaan – dan staat daarmee de appellabiliteit vast.
Anderzijds, als grief 1 faalt, dan staat daarmee vast dat het vonnis niet-appellabel is en kunnen de overige grieven niet meer aan de orde kunnen komen. Huurder kan een niet-appellabel vonnis niet appellabel maken door het aanvoeren van een ondeugdelijke grief.
Het hof vindt hierin een parallel met de aan te voeren klachten als een appellant zich wenst te beroepen op de leer van de doorbreking van een appelverbod. Door het aanvoeren van grief 1 is huurder ontvankelijk in zijn appel (HR 9 oktober 1992, NJ 1992/771), echter als na onderzoek van de grief deze ondeugdelijk is, dient het beroep te worden verworpen (vgl. Wendels/Snijders, 2003, nrs. 322 en 323).
4.2.6. Naar het oordeel van het hof kan in de conclusie van antwoord, de brief van de vader van huurder van 30 mei 2006, (en alleen dat stuk is van belang, artikel 137 Rv Pro) niet een eis in reconventie worden gelezen en kan van de kantonrechter – en verhuurster – ook niet verwacht worden daarin een zodanige eis te lezen. Nergens blijkt dat huurder betaling verlangt van enig bedrag in het geval de vordering van verhuurster wordt ingetrokken of afgewezen of anderszins niet wordt gehonoreerd. De brief laat geen andere uitleg toe dan dat alleen een beroep op verrekening wordt gedaan. Dit volgt uit de woorden ‘heeft mijn zoon zijn huur voldaan’ en ‘nu ga verrekenen’.
4.2.7. De conclusie is dan dat grief 1 faalt, zodat het beroep moet worden verworpen.
4.2.8. Huurder wordt als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen.
5. De uitspraak
Het hof:
verwerpt het beroep;
veroordeelt huurder in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van verhuurster gevallen, tot op heden begroot op € 248,- voor vast recht en op € 632,- voor salaris procureur.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 15 januari 2008.