ECLI:NL:GHSHE:2008:BC4850
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Bod
- Waaijers
- Zweers-Van Vollenhoven
- Rechtspraak.nl
Bevestiging pensioenberekening bijzonder partnerpensioen na echtscheiding volgens ABP-reglement
De zaak betreft een geschil over de berekening van het bijzonder partnerpensioen (BPP) aan de ex-echtgenote van appellant, die volgens hem onjuist is vastgesteld door het ABP. Appellant vordert dat het BPP wordt berekend op basis van de pensioengrondslag op de datum van echtscheiding in 1974, geïndexeerd tot de pensioendatum, in overeenstemming met artikel 7.5b van het ABP-pensioenreglement en de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.
Het hof stelt vast dat appellant na zijn vrijwillig vervroegd ontslag in 1992 nog steeds ambtenaar was in de zin van de ABP-wet vanwege zijn dienstverband als VUT-gerechtigde, en dat zijn pensioenopbouw na 31 december 1995 is voortgezet onder de Wet Privatisering ABP. Het hof oordeelt dat het BPP volgens artikel 18.20 lid 3 van het pensioenreglement moet worden berekend op basis van de pensioengrondslag van 1995, en dat deze regeling niet in strijd is met het echtscheidingsrecht of eerdere jurisprudentie.
Verder wijst het hof de stellingen van appellant af dat het ABP-reglement fiscaal onzuiver zou zijn, dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van de ex-echtgenote, of dat er sprake is van een inbreuk op eigendomsrechten onder het EVRM. Ook het beroep op de hardheidsclausule wordt verworpen omdat de regeling niet tot een onredelijke uitkomst leidt. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt appellant in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst het hoger beroep van appellant af.