ECLI:NL:GHSHE:2008:BC8702
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Meulenbroek
- Keizer
- Hofkes
- Rechtspraak.nl
Verjaring van vordering op geldlening na bedrijfsovername en opeisingsverzoek
In deze civiele zaak staat de vraag centraal of een vordering tot betaling van een geldlening met een contractuele rente van 11% per jaar is verjaard. Appellant vordert betaling van een bedrag dat is opgebouwd uit de hoofdsom en rente, nadat geïntimeerde de schuld van zijn moeder zou hebben overgenomen bij een bedrijfsovername in 1987.
De rechtbank wees de vordering toe op grond van verjaring. Appellant stelde in hoger beroep dat de verjaringstermijn van twintig jaar pas begon te lopen vanaf het moment dat hij de lening daadwerkelijk kon opeisen, namelijk na de bedrijfsovername of na een opeisingsverzoek in 1992. Het hof oordeelde dat het verzoek tot opeising in 1992 als een mededeling tot opeising kan worden beschouwd, waardoor de vordering uiterlijk vijf jaar daarna verjaard zou zijn. Ook indien dit verzoek niet heeft plaatsgevonden, begon de verjaringstermijn uiterlijk in 1980 te lopen, na de laatste betaling van rente.
Het hof vond dat de door appellant aangevoerde omstandigheden, zoals terughoudendheid vanwege familierelaties, niet konden verhinderen dat de lening eerder opeisbaar was. Zonder stuitingshandelingen is de vordering derhalve verjaard. De grieven van appellant faalden en het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot betaling van de geldlening en rente is verjaard en wordt afgewezen.