ECLI:NL:GHSHE:2008:BD1270

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R200701259
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Gründemann
  • De Klerk-Leenen
  • Pouw
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 en 2 sub b FwArt. 285 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw

Appellant verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van circa €37.694,44. De rechtbank wees dit verzoek af omdat appellant verwijtbaar schulden had laten ontstaan en onbetaald had gelaten, mede door een periode van detentie eind 2006 waardoor hij geen inkomen had en schuldeisers benadeelde.

In hoger beroep stelde appellant dat hij ten tijde van het aangaan van leningen een vaste baan en voldoende inkomen had om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. Hij voerde aan dat de detentie geen invloed had op het ontstaan van schulden en dat de schulden aan het CJIB slechts een gering deel van zijn totale schuldenlast uitmaakten.

Het hof oordeelde dat appellant aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was bij het aangaan van leningen bij ABN-Amrobank en ICS. Echter, de omvangrijke huurschuld van circa zes maanden en het onbetaald laten van schulden gedurende zijn detentieperiode maakten dat hij niet te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden.

Gezien deze omstandigheden en het gedrag van appellant, waaronder het niet nakomen van verplichtingen en het oplopen van boetes, werd het verzoek tot schuldsaneringsregeling afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd met verbetering van de gronden.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw.

Uitspraak

IWMD
30 januari 2008
Sector civiel recht
Rekestnummer R200701259
Zaaknummer eerste aanleg 179168/FT-RK 07.1212
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Arrest
In de zaak in hoger beroep van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna: [de man],
procureur: mr. M. Stegeman.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Breda van 8 november 2007, waarvan de inhoud bij [de man] bekend is.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 15 november 2007, heeft [de man] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem van toepassing te verklaren.
2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari 2008.
Bij die gelegenheid is de advocaat van [de man], mr. D.M. Terpstra, gehoord.
[de man] is, ondanks behoorlijke oproeping, niet ter zitting verschenen.
2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.d. 1 november 2007;
- de brief met bijlagen van de advocaat van [de man] d.d. 28 november 2007.
3. De gronden van het hoger beroep
Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.
4. De beoordeling
4.1. [de man] heeft de rechtbank verzocht de toepassing van de schuldsanerings¬regeling uit te spreken. De totale schuldenlast bedraagt blijkens de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet Pro (Fw) d.d. 21 augustus 2007 € 37.694,44, waaronder een schuld aan ICS van € 4.594,16, een schuld aan LaSer Services van € 5.725,43, een schuld aan Wonenbreburg van € 2.441,32 en schulden aan de ABN-Amrobank van € 20.818,- en € 3.403,-. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat er onvoldoende aflossingscapaciteit was. Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek van [de man] afgewezen.
4.2.1. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 2 sub b Fw Pro (oud) overwogen dat aannemelijk is dat [de man] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest.
4.2.2. De rechtbank heeft overwogen dat [de man] in zeer korte tijd een groot aantal omvangrijke schulden heeft laten ontstaan. Een deel van deze schulden heeft hij verwijtbaar laten ontstaan, te weten in ieder geval de huurschuld van
€ 2.441,32 en voorts twee schulden aan het CJIB van € 352,25 en € 200,-. Daarnaast heeft hij deze schulden verwijtbaar onbetaald gelaten door zijn gevangenisstraf eind 2006. Hij heeft gedurende zijn detentie geen inkomen gehad en daardoor heeft hij de schuldeisers benadeeld. Voorts blijkt volgens de rechtbank uit de vele boetes die [de man] in 2007 heeft gekregen vanwege strafbare feiten die hij heeft begaan met zijn brommer dat hij zich nog steeds weinig gelegen laat liggen aan de algemeen geldende regels en de hoogte van de schulden verder heeft laten oplopen.
Ten aanzien van deze schulden is hij ook niet te goeder trouw geweest. Gelet op deze omstandigheden dient zijn verzoek te worden afgewezen, aldus de rechtbank.
4.3. [de man] kan zich met dit vonnis niet verenigen en komt hiervan in beroep.
Hij heeft in het beroepschrift aangevoerd dat hij ten tijde van het aangaan van de leningen bij de ABN-Amrobank en ICS een vaste dienstbetrekking had en inwonend/thuiswonend was. Gelet op zijn inkomen van ruim € 1.500,- netto per maand en zijn zeer lage lasten was hij in staat de bijbehorende aflossings- en renteverplichtingen te voldoen, hetgeen hij ook lange tijd heeft gedaan. [de man] is van mening dat hem ten aanzien van het aangaan van deze leningen geen verwijt is te maken. [de man] stelt dat verlies van inkomen uit werk er de oorzaak van is geweest dat hij zijn lopende verplichtingen niet meer kon nakomen. Volgens [de man] heeft zijn detentie eind 2006 geen invloed gehad op de hoogte van de schulden, omdat hij op dat moment al geen aflossingscapaciteit meer had.
[de man] heeft verder aangevoerd dat de schulden aan het CJIB boetes betreffen voor het begaan van verkeersovertredingen met zijn scooter. Volgens [de man] is de hoogte van de schulden opgelopen, omdat hij financieel niet in staat was deze te voldoen. Hij stelt dat het gegeven dat er in het schuldenoverzicht een schuld aan het CJIB staat vermeld op zichzelf onvoldoende reden is voor afwijzing van zijn verzoek.
[de man] stelt zich voorts op het standpunt dat zijn omstandigheden niet van dien aard zijn dat hij niet zou kunnen worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
4.4. Het hof komt tot de volgende beoordeling.
4.4.1. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef Pro en sub b Fw (nieuw) wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.
4.4.2. [de man] heeft aangevoerd dat zijn schulden aan de ABN-Amrobank en ICS zijn ontstaan in een periode dat hij zodanige inkomsten uit arbeid ontving dat hij in staat was aan de lopende verplichtingen jegens zijn schuldeisers te voldoen. Het hof is van oordeel dat [de man] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan van deze schulden te goeder trouw is geweest.
Het hof is voorts met [de man] van oordeel dat het enkele feit dat hij schulden heeft aan het CJIB onvoldoende reden oplevert om hem toelating tot de schuldsaneringsregeling te weigeren, temeer nu deze schulden slechts een gering deel van de totale schuldenlast uitmaken.
Daar staat echter tegenover dat is komen vast te staan dat [de man] een omvangrijke huurschuld heeft. Ter zitting is namens [de man] verklaard dat deze huurachterstand geen verband houdt met de periode van detentie van [de man]. Gelet op de hoogte van de schuld houdt het hof het ervoor dat het een huurachterstand betreft van circa zes maanden. Nu [de man] geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat gedurende ongeveer een half jaar geen huur is betaald, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van deze schuld te goeder trouw is geweest.
Tevens is vast komen te staan dat [de man] als gevolg van zijn detentie eind 2006 gedurende vier maanden niet in staat is geweest om enige aflossing op zijn schulden te realiseren en evenmin in staat is geweest om betaald werk te zoeken, een en ander ten nadele van zijn crediteuren. Naar het oordeel van het hof heeft [de man] - gelet op deze situatie en ook op de zwaarte van de straf die hem ter zake van gepleegd misdrijf was opgelegd (tien maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar) - niet aannemelijk gemaakt dat hij ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest.
Gelet op voornoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het verzoek van [de man] dient te worden afgewezen.
4.4.3. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen met verbetering van gronden.
5. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep met verbetering van de gronden.
Dit arrest is gewezen door mrs. Gründemann, De Klerk-Leenen en Pouw en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 30 januari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.