ECLI:NL:GHSHE:2008:BD3274
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Smeenk-van der Weijden
- Van Zinnen
- Everaars-Katerberg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging einde alimentatieverplichting door samenleven als waren zij gehuwd
In deze zaak stond centraal of de vrouw en de heer Z. vanaf medio 2002 een samenwoning voerden als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW Pro. Het hof onderzocht dit aan de hand van vijf criteria: een affectieve relatie, duurzaamheid, samenwoning, het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging.
De verklaringen van de dochters van partijen, ondanks mogelijke loyaliteitsproblemen, werden als eerlijk en betrouwbaar beoordeeld. Uit hun gedetailleerde verklaringen bleek dat Z. regelmatig bij de vrouw verbleef, mee at, sliep en een rol speelde in het huishouden en de verzorging. Ook andere getuigenverklaringen en foto’s van de atelierruimte ondersteunden dit beeld.
Het hof concludeerde dat vanaf 1 januari 2003 sprake was van een duurzame samenwoning als waren zij gehuwd, waardoor de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw van rechtswege eindigde. De vrouw moet de na die datum onverschuldigd ontvangen alimentatie terugbetalen. De vrouw kon niet worden ontslagen van deze terugbetalingsverplichting, ook niet op grond van bijzondere omstandigheden of rechtsverwerking.
De proceskosten werden gecompenseerd volgens de gebruikelijke regel, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het hof bekrachtigde de eerdere beschikking van de rechtbank en wees het meer of anders verzochte af.
Uitkomst: De alimentatieverplichting van de man eindigde per 1 januari 2003 door samenwoning van de vrouw met een ander, en de vrouw moet onverschuldigde betalingen terugbetalen.