ECLI:NL:GHSHE:2008:BD6886

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HV 200.004.490
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Gründemann
  • De Klerk-Leenen
  • Pouw
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 sub b FaillissementswetArt. 285 FaillissementswetArt. 1:88 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens ontbreken goede trouw bij ontstaan schulden

De zaak betreft het hoger beroep van [X.] tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De totale schuldenlast bedroeg circa €446.807, waaronder aanzienlijke vorderingen van [Y.] Holding B.V. en Compleet Financieel Advies (CFA). De rechtbank had het verzoek afgewezen vanwege het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van de schulden.

De rechtbank stelde vast dat [X.] de handtekening van zijn toenmalige echtgenote had vervalst op een geldleningsovereenkomst, wat misleiding inhoudt. Daarnaast was [X.] veroordeeld tot betaling aan CFA wegens schending van een concurrentiebeding. Het hof bevestigt deze feiten en oordeelt dat het niet te goeder trouw zijn van [X.] bij het ontstaan van deze schulden een feit is.

In hoger beroep voerde [X.] aan dat zijn ex-echtgenote geen contractspartij was en dat hij daarom niet wist dat hij misleiding pleegde. Ook betwistte hij de hoogte van de vordering van CFA en zijn slechte trouw daarbij. Het hof verwierp deze verweren en bevestigde dat het verzoek tot schuldsanering terecht was afgewezen omdat [X.] niet te goeder trouw was in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van de schulden.

Uitspraak

MdL
18 juni 2008
Sector civiel recht
Zaakummer HV: 200.004.490/01
Zaaknummer eerste aanleg 170553 FT RK 08.118
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Arrest
in de zaak in hoger beroep van:
[X],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna: [X.],
procureur: mevrouw mr. S. Koerselman.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 april 2008, waarvan de inhoud bij [X.] bekend is.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 14 april 2008, heeft [X.] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de schuldsaneringsregeling op [X.] van toepassing wordt verklaard.
2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 juni 2008. Bij die gelegenheid is [X.] gehoord.
De advocaat van [X.] was ter zitting in hoger beroep niet aanwezig, naar zeggen van [X.] in verband met de kosten. [X.] heeft bij aanvang van de zitting verklaard de mondelinge behandeling doorgang te willen doen vinden, ook zonder aanwezigheid van zijn advocaat.
2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;
- het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg van 31 maart 2008;
- de brief met bijlagen van de advocaat van [X.] van 11 maart 2008;
- de art. 285 Fw Pro verklaring van 19 februari 2008.
3. De gronden van het hoger beroep
Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.
4. De beoordeling
4.1. [X.] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. De totale schuldenlast bedraagt blijkens de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet Pro van 19 februari 2008 € 446.806,94, waaronder een schuld aan [Y.] Holding B.V. ten bedrage van € 188.900,82 en een schuld aan Compleet Financieel Advies (hierna: CFA) ten bedrage van € 93.018,87. Uit genoemde verklaring blijkt dat geen minnelijk traject is gestart; een reden daarvoor is niet opgegeven.
Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek van [X.] afgewezen.
4.2.1. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro overwogen dat [X.] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.
4.2.2. De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. Vastgesteld is dat [X.] de handtekening van zijn toenmalige echtgenote heeft vervalst op een overeenkomst van geldlening met [Y.] Holding B.V. De rechtbank heeft geoordeeld dat [X.] had kunnen weten dat hij door het vervalsen van de handtekening van zijn toenmalige echtgenote willens en wetens mensen aan het misleiden was.
Voorts is gebleken dat [X.] is veroordeeld tot het betalen van een bedrag ter grootte van € 25.000,-- aan CFA in verband met een concurrentiebeding. Gelet op het bovenstaande alsmede op de hoogte van de vorderingen in verhouding tot de gehele schuldenlast heeft de rechtbank geoordeeld dat dit dient te leiden tot een afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
4.3.1. [X.] heeft in het beroepschrift aangevoerd, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [X.] had kunnen weten dat hij door het vervalsen van de handtekening van zijn toenmalige echtgenote op de tweede geldleningovereenkomst d.d. 15 september 2004 willens en wetens mensen aan het misleiden was. [X.] stelt daartoe dat zijn ex-echtgenote geen contractspartij was en ook niet vermeld werd bij de zekerheidsstelling in de eerste geldleningovereenkomst d.d. 19 september 2003. In dit verband verwijst [X.] naar de producties 2 en 3 bij het beroepschrift. [X.] stelt zich op het standpunt dat, nu zijn ex-echtgenote geen contractspartij was bij het aangaan van de geldleningovereenkomst en het zijns inziens ook geen rechtshandeling als bedoeld in art. 1:88 BW Pro betrof, zijn ex-echtgenote dus geen handtekening hoefde te zetten. [X.] heeft hierdoor dus ook niet kunnen weten dat hij willens en wetens mensen aan het misleiden was.
Voorts betwist [X.] in zijn beroepschrift de hoogte van de vordering van CFA en bestrijdt hij dat hij ten aanzien van het ontstaan van deze vordering niet te goeder trouw is geweest.
4.4. Het hof komt tot de volgende beoordeling.
4.4.1. Ingevolge artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.
4.4.2. Het hof neemt de volgende omstandigheden in aanmerking.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [X.] nogmaals bevestigd dat hij op 15 september 2004 de handtekening van zijn inmiddels ex-echtgenote heeft vervalst. Desgevraagd heeft hij verder geantwoord dat zijn vrouw het met die lening niet eens was. Nu, ook wanneer een eventuele vordering in rechte van [Y.] Holding B.V. op genoemde gewezen echtgenote van [X.] geen (grote) kans van slagen zou hebben, aannemelijk is dat zij aanzienlijke kosten van rechtsbijstand zou moeten maken in verband met tegen die vordering te voeren verweer, is daarmee het niet te goeder trouw zijn van [X.] bij het ontstaan van de vordering van [Y.] Holding B.V. een feit, zoals de rechtbank met juistheid heeft vastgesteld.
Ook heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat [X.] bij het ontstaan van zijn schuld aan CFA niet te goeder trouw is geweest, nu die schuld, bij rechterlijke veroordeling bepaald op het onder 4.2.2 genoemde bedrag, haar oorsprong vond in een schending door [X.] jegens diens voormalige werkgever van een relatiebeding.
4.4.3. Ook het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is dat [X.] ten aanzien van het ontstaan van deze schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest, zodat het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling terecht door de rechtbank is afgewezen.
4.4.4. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
5. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
Dit arrest is gewezen door mrs. Gründemann, De Klerk-Leenen en Pouw en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 juni 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.