ECLI:NL:GHSHE:2008:BD7677

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HV 200.005.383 & HV 200.005.403
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Pellis
  • Smeenk-van der Weijden
  • Schaafsma-Beversluis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:303 BWArt. 350 lid 3 Fw (oud)Art. 350 lid 3 Fw (nieuw)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan belang

De zaak betreft het hoger beroep van een echtpaar tegen de beslissing van de rechtbank Breda om het verzoek van de curator tot tussentijdse beëindiging van hun schuldsaneringsregeling af te wijzen. De curator stelde dat het echtpaar als feitelijk bestuurders van een failliete vennootschap bedragen had onttrokken, waardoor zij niet te goeder trouw zouden zijn geweest. De rechtbank oordeelde echter dat zolang niet vaststaat of het verwijt terecht is, geen reden bestaat om de regeling tussentijds te beëindigen.

In hoger beroep trokken de appellanten drie formele verweren in, maar handhaafden een vierde verweer met betrekking tot de toepassing van overgangsrecht in de Faillissementswet. Het hof overwoog dat het echtpaar geen in rechte te respecteren belang heeft bij het hoger beroep omdat zij dezelfde beslissing wensen als de rechtbank. Tevens oordeelde het hof dat de rechter zowel onder het oude als het nieuwe faillissementsrecht de vrijheid heeft om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen indien blijkt dat de schuldenaar niet te goeder trouw is geweest.

Het hof verklaarde het hoger beroep van de man en vrouw niet-ontvankelijk, waardoor aan een inhoudelijke beoordeling niet werd toegekomen. Dit arrest bevestigt de ruime beoordelingsvrijheid van de rechter bij tussentijdse beëindiging van schuldsaneringsregelingen en benadrukt het belang van een voldoende belang bij het instellen van hoger beroep.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan voldoende belang.

Uitspraak

MB
10 juli 2008
Sector civiel recht
Zaaknummers HV 200.005.403/01 en HV 200.005.383/01
Zaaknummers eerste aanleg 07/445 en 07/446
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Arrest
In de zaken in hoger beroep van:
[X.], en [Y.],
echtelieden, beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
hierna: de man en de vrouw,
procureur: mr. E.G.M. van Ewijk.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de respectieve vonnissen van de rechtbank Breda van 24 april 2008, waarvan de inhoud bij appellant(-en) bekend is.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschriften, ingekomen ter griffie op 6 mei 2008, hebben de man en de vrouw ieder voor zich verzocht het vonnis waarvan beroep, te vernietigen, althans te bekrachtigen onder verbetering van gronden.
2.2. Gelet op de verknochtheid van de voormelde onder HV 200.005.383/01 en HV 200.005.403/01 ter griffie ingeschreven zaken heeft het hof de voeging daarvan gelast, opdat zij gezamenlijk zullen worden behandeld en beslist.
2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 juni 2008.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaat mr. F.G.D. Pykstra;
- de heer A. Brekelmans, bewindvoerder.
Mr. T.M. Schraven, de curator in het faillissement van [Z.] Adviesgroep B.V. die het inleidende verzoek heeft ingediend om de schuldsaneringsregelingen van de man en de vrouw tussentijds te beëindigen (hierna: de curator), heeft schriftelijk te kennen gegeven dat hij niet aanwezig zal zijn ter zitting. Dit om onverantwoorde kosten voor de boedel te voorkomen.
2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de producties, overgelegd bij het beroepschrift; en
- de faxbrief met bijlagen van de curator in het faillissement van [Z.] Adviesgroep B.V. d.d. 24 juni 2008.
3. De gronden van het hoger beroep
Het hof verwijst naar de inhoud van de beroepschriften.
4. De beoordeling
4.1. Bij respectieve vonnissen van 8 mei 2007 is ten aanzien van zowel de man als de vrouw de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
4.2.1. Bij vonnis(-sen) waarvan beroep, heeft de rechtbank het verzoek van de curator in het faillissement van [Z.] Adviesgroep B.V. om de toepassing van de schuldsaneringsregelingen van de man en de vrouw tussentijds te beëindigen, afgewezen.
4.2.2. De rechtbank heeft daartoe - kort samengevat - het hiernavolgende overwogen. Ter zitting is komen vast te staan dat tussen de man en de vrouw en de curator verschil van mening is ontstaan omtrent de vraag of zij als feitelijk bestuurder van de op 22 augustus 2006 failliet verklaarde [Z.] Adviesgroep B.V. bedragen aan het vermogen van deze vennootschap hebben onttrokken. De curator heeft gesteld dat de failliete vennootschap in dit kader een vordering heeft op de man en de vrouw van in totaal € 152.019,17.
De man en de vrouw hebben hiertegen opgeworpen dat een en ander op de op 8 mei 2007 gehouden toelatingszitting is besproken, maar dat de rechtbank daarin geen aanleiding heeft gezien het verzoek tot toelating tot de schuldsanerings- regeling af te wijzen.
De rechtbank heeft uiteindelijk geoordeeld dat zolang nog niet vast staat of het verwijt dat de curator de man en de vrouw maakt terecht is, niet beoordeeld kan worden of zij ten aanzien van het ontstaan van vorenbedoelde schuld al dan niet te goeder trouw zijn geweest.
Er bestaat volgens de rechtbank vooralsnog dan ook geen aanleiding de schuldsaneringsregelingen tussentijds te beëindigen. Ingeval mocht komen vast te staan dat de man en de vrouw niet te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan van voornoemde schuld, dan zou dit reden kunnen zijn de schuldsaneringsregelingen alsnog tussentijds te beëindigen, dan wel te beëindigen zonder schone lei, aldus de rechtbank.
4.3.1. Ter zitting bij het hof hebben de man en de vrouw de eerste drie door hen in eerste aanleg opgeworpen formele verweren - waarnaar zij ook hebben verwezen in hun beroepschriften - ingetrokken. Met betrekking tot het vierde verweer - behelsende dat het in artikel IV van de op 1 januari 2008 in werking getreden Wet van 24 mei 2007 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (hierna: (nieuw) Fw) opgenomen overgangsrecht aan toepassing van artikel 350 lid 3 onder Pro f (nieuw) Fw in de weg staat - hebben de man en de vrouw echter ter zitting bij het hof onverkort gesteld dat de rechtbank dit verweer ten onrechte in het geheel niet heeft betrokken in de overwegingen.
Daarnaast hebben zij ter zitting bij het hof mondeling het petitum van hun beroepschriften aangepast en thans verzocht de uitspraak waarvan beroep te bekrachtigen onder verbetering van gronden.
De man en de vrouw hebben gesteld recht en belang bij het hoger beroep te hebben nu, naar het hof begrijpt, de rechtbank ten onrechte - in strijd met de overgangswetgeving - de mogelijkheid heeft opengelaten tot een tussentijdse beëindiging van de beide schuldsaneringsregelingen.
4.4. Het hof komt, op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, tot de volgende beoordeling.
Ontvankelijkheid
4.4.1. Artikel 3:303 van Pro het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toe komt. Het belang moet voldoende zijn om de rechtsvordering die wordt ingesteld te rechtvaardigen.
Nu de man en de vrouw van het hof dezelfde beslissing verlangen als de rechtbank in eerste aanleg heeft gegeven oordeelt het hof dat de man en de vrouw geen in rechte te respecteren belang hebben bij het - door ieder van hen - ingestelde hoger beroep.
Het hof zal de man en de vrouw dan ook niet-ontvankelijk verklaren in ieders hoger beroep, waarmee aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep niet wordt toegekomen.
4.4.2. Ten overvloede overweegt het hof dat het belang van de man en de vrouw bij dit hoger beroep ook niet kan worden gecreëerd door de, namens de man en de vrouw, ter zitting van het hof opgeworpen interpretatie van het overgangsrecht,
aangezien ook ten tijde van de Faillissementswet zoals deze gold vóór 1 januari 2008 (hierna: (oud) Fw), op grond van de jurisprudentie (zie o.a. HR 12 juli 2002, LJN AE 2508) de wetsgeschiedenis (vergelijk Kamerstukken I 1997/1998, 22969 en 23429, nr.297, blz. 8) de rechter op grond van artikel 350 lid Pro 3 (oud) Fw de mogelijkheid had om de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen, indien, nadat de betrokken schuldenaar tot de regeling was toegelaten, op een later moment alsnog werd ontdekt dat de schuldenaar niet te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden.
Per saldo betekent dit dat zowel onder het oude als het nieuwe recht de rechter in beginsel de vrijheid had en heeft om de schuldsaneringsregeling(-en) al dan niet op initiatief van de bewindvoerder direct tussentijds te beëindigen als in een later stadium alsnog de, kennelijk bij de beoordeling van dit verzoekschrift over het hoofd geziene dan wel nog niet gebleken, afwezigheid van de goede trouw van de schuldenaar aan het licht komt. Bij in wezen dezelfde uitkomst behoefde de rechtbank in deze zaak dan ook geen uitspraak te doen over de namens de man en de vrouw bij wege van verweer opgeworpen kwestie van het overgangsrecht.
5. De uitspraak
Het hof:
verklaart zowel de man als de vrouw niet-ontvankelijk in het beroep tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 24 april 2008.
Dit arrest is gewezen door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Schaafsma-Beversluis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 juli 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.