4.8.3. Uit de overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van het hof voldoende dat de vrouw over de periode van 2001 tot en met 2005 inkomsten uit de vennootschappen heeft gegenereerd of heeft kunnen genereren. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft de vrouw blijkens de aangiften IB over 2003 tot en met 2005 van [Y.] BV een salaris ontvangen van respectievelijk € 23.789,-, € 18.000,- en € 19.059,-. Zij heeft nagelaten om die inkomsten te melden aan de man. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat haar zoon feitelijk de leiding heeft over de vennootschappen en dat hij de inkomsten uit de vennootschappen tot zich heeft genomen, maar zij heeft zulks niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt. Indien en voor zover zij al inkomsten uit de vennootschappen aan een derde ten goede heeft laten komen, heeft zij niettemin aldus over aan haar toekomende inkomsten beschikt en dient dit bij de bepaling van haar behoefte voor haar rekening en risico te komen. Vast staat immers dat de vrouw als grootaandeelhouder van [X.] Beheer BV en enig middellijk aandeelhouder van [Y.] BV zeggenschap en stemrecht in de vennootschappen heeft, zodat zij als enige beslist en kan bepalen welke bestemming de door de vennootschappen behaalde winst krijgt. Uit de door de vrouw overgelegde jaarstukken van [X.] Beheer BV blijkt dat de winstreserve in 2001 € 31.947,- bedroeg, in 2002 € 43.939,-, in 2003 € 73.165,-, in 2004 € 72.095,- en in 2005 € 98.043,-. Het banksaldo van voornoemde BV bedroeg ultimo 2001 € 55.501,-, ultimo 2002 € 80.076,-, ultimo 2003 € 114.956,-, ultimo 2004 € 100.727,- en ultimo 2005 € 50.175,-. Voorts blijkt uit voornoemde jaarstukken en uit de jaarstukken van [Y.] BV over diezelfde periode dat [Y.] BV dividend heeft uitgekeerd aan [X.] Beheer BV, welk dividend door laatstgenoemde BV is toegevoegd aan de winstreserves.
Gelet op het voorgaande ligt het naar het oordeel van het hof in de macht van de vrouw om zichzelf een inkomen toe te kennen waarmee zij in de door het hof bij beschikking van 8 januari 2002 vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte van destijds fl. 4.300,- (€ 1.951,25) per maand had kunnen voorzien. De noodzaak om de winst toe te voegen aan de reserves heeft de vrouw niet aangetoond.
Hoewel de vrouw op 20 september 2006, derhalve ná de ontvangst van de brief van de advocaat van de man van 18 september 2006 met het verzoek om inkomstengegevens van de vrouw, geheel vrijwillig ontslag heeft genomen als directeur van de vennootschappen, betekent zulks niet dat zij niet langer de bestemming van de winst van beide vennootschappen zou kunnen bepalen. Immers, zij is nog altijd grootaandeelhouder van [X.] Beheer BV, die op haar beurt nog altijd enig aandeelhouder is van [Y.] BV. De vrouw heeft slechts de aangifte IB over 2006 overgelegd en zij heeft nagelaten inzicht te geven in de jaarstukken over 2006 en 2007 en de tussentijdse cijfers over 2008, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Bij gebrek aan gegevens over de vennootschappen met ingang van 2006 gaat het hof er voorshands van uit dat de financiële situatie van de vennootschappen vanaf 2006 gelijk is aan die van de jaren daarvoor. De vrouw heeft in ieder geval niet aannemelijk gemaakt dat de situatie van de vennootschappen vanaf 2006 wezenlijk is gewijzigd ten opzichte van de jaren 2001 tot en met 2005.
Wat er ook zij van het bepaalde in artikel 12a Wet op de Loonbelasting 1964, zoals hiervoor reeds is overwogen, kan de vrouw als grootaandeelhouder en bestuurder van [X.] Beheer BV door de uitoefening van het stemrecht beschikken over de winstreserves van de vennootschappen. Bovendien kon de vrouw als directeur van de vennootschappen ook over de liquiditeiten daarvan beschikken. Indien de vrouw ervoor kiest om de voor uitkering vatbare winst binnen de vennootschappen te laten en niet uit te keren aan zichzelf, dient dit bij de bepaling van haar behoefte voor haar rekening en risico te komen en niet te worden afgewenteld op de man.
Nu de vrouw heeft nagelaten inzicht te geven in haar financiële situatie en die van de vennootschappen over de jaren 2001 en 2002, gaat het hof er evenals de rechtbank van uit dat de vrouw in deze jaren tenminste een salaris heeft kunnen genieten gelijk aan hetgeen volgt uit artikel 12a van de Wet op de Loonbelasting.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de vrouw vanaf 10 oktober 2001 geen behoefte meer heeft gehad aan een door de man te betalen aanvullende bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, zij het op andere gronden. De grieven vier, vijf en zeven van de vrouw falen derhalve.