ECLI:NL:GHSHE:2008:BD9091

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
K07/0394
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 SvArt. 12d Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van beklag wegens ontbreken van opzet bij vermeende valsheid in geschrift

Op 1 november 2006 deed klager aangifte van valsheid in geschrift tegen medewerkers van het korps Regiopolitie Brabant Noord vanwege een vermeende onjuiste datumvermelding op een beoordelingsformulier. Klager stelde dat de datum 3 januari 2005 onjuist was en dat hierdoor termijnen in de personeelsontwikkelingsregeling waren aangetast.

De officier van justitie besloot op 30 november 2006 de zaak niet te vervolgen, omdat de antedatering niet strafrechtelijk relevant werd geacht. Klager diende daarop een beklag in bij het hof, dat dit op 15 mei 2007 afwees wegens gebrek aan bewijs van opzet.

Klager bracht vervolgens nieuwe argumenten naar voren, maar het hof oordeelde op 12 februari 2008 dat deze onvoldoende waren om het eerdere oordeel te wijzigen. Er waren geen nieuwe omstandigheden die op (boos) opzet wezen. Het hof wees het beklag definitief af en zag af van het horen van klager in raadkamer.

Uitkomst: Het hof wijst het beklag af wegens ontbreken van bewijs voor (boos) opzet bij de foutieve datumvermelding.

Uitspraak

K07/0394
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 12 februari 2008 inzake het beklag ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:
(klager),
wonende te Kaatsheuvel,
hierna te noemen: klager,
over de beslissing van de officier van justitie te 's-Hertogenbosch tot het niet vervolgen van:
het korps Regiopolitie Brabant Noord,
althans ( beklaagde 1), leidinggevende van klager, en/of
(beklaagde 2), commissaris van politie,
hierna te noemen: beklaagde(n),
wegens valsheid in geschrift.
De feitelijke gang van zaken.
Op 1 november 2006 heeft klager aangifte gedaan van valsheid in geschrift, beweerdelijk jegens hem gepleegd door beklaagde(n).
Op 30 november 2006 is door de hoofdofficier van justitie mr. G.W. van der Burg aan klager bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat de door klager gestelde antedatering niet van zodanige aard is dat dit strafrechtelijk ingrijpen rechtvaardigt.
Bij beschikking van 15 mei 2007 heeft het hof het tegen bovengenoemde sepotbeslissing gerichte beklag – met klachtnummer K06/1848 – van klager afgewezen.
Hierop heeft klager bij schrijven van 14 juli 2007 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 17 juli 2007, met het verzoek de vervolging te bevelen.
De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 6 oktober 2007 het hof geraden het beklag als kennelijk ongegrond af te wijzen.
De beoordeling.
Klager heeft in zijn aangifte gesteld dat (een medewerker van) het korps Regiopolitie Brabant Noord zich jegens hem schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door op een beoordelingsformulier opzettelijk een onjuiste datum te vermelden. Klager geeft aan dat de betreffende medewerker opzettelijk een vroegere datum heeft vermeld, te weten 3 januari 2005, terwijl dit naar de mening van klager niet de datum kan zijn geweest waarop het formulier is opgemaakt. Ten gevolge hiervan zouden volgens klager termijnen, zoals die zijn vastgesteld in de Uitvoeringsregeling Personeelsontwikkelingssysteem, zijn aangetast.
Klager heeft eerder over dezelfde feiten geklaagd in de klachtzaak met nummer K06/1848, maar zijn beklag is bij beschikking van 15 mei 2007 afgewezen, nu uit de zich in het dossier bevindende stukken niet is af te leiden dat sprake is van (boos) opzet van de zijde van beklaagde(n) met betrekking tot de bedoelde foutieve datumvermelding. Klager geeft thans in zijn klaagschrift argumenten waarom de datum van 3 januari 2005 niet klopt.
Het hof is van oordeel dat de argumenten die klager thans aanvoert niet afdoen aan het bij beschikking van 15 mei 2007 door het hof gegeven oordeel, aangezien ook thans uit het dossier, aangevuld met klagers nieuwe klacht, niet is af te leiden dat sprake is van (boos) opzet van de zijde van beklaagde(n) met betrekking tot de bedoelde foutieve datumvermelding. Naar het oordeel van het hof is derhalve geen sprake van nieuwe omstandigheden als bedoeld in artikel 12d, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Gelet op het vorenstaande dient het beklag te worden afgewezen en kan overeenkomstig het bepaalde bij artikel 12d, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering worden afgezien van het horen van klager in raadkamer.
De beslissing.
Het hof wijst het beklag af.
Aldus gegeven door
mr. P.A.M. Hendriks, als voorzitter,
mr. G.A.M. Stevens en mr. K. van der Meijde, als raadsheer,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, als griffier.
op 12 februari 2008.