ECLI:NL:GHSHE:2008:BF0360
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Brandenburg
- De Groot-van Dijken
- Meulenbroek
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake verlies arbeidsvermogen na verkeersongeval en schadevergoeding
Appellant, geboren in 1947, raakte op 11 december 1998 betrokken bij een verkeersongeval waarbij hij letsel opliep passend bij een postwhiplash syndroom. Hij had een eigen stukadoorsbedrijf dat hij in 1999/2000 aan zijn zoon verkocht. Het Waarborgfonds erkende aansprakelijkheid, maar er ontstond discussie over de omvang van het verlies aan arbeidsvermogen en de hoogte van de schadevergoeding.
In eerste aanleg stelde de rechtbank het verlies van arbeidsvermogen vast op circa EUR 150.000, gebaseerd op een prognose van een omzetgroei van 1% per jaar en een eindleeftijd van 60 jaar voor appellant. Het hof oordeelt dat de rechtbank terecht van deze redelijke verwachting is uitgegaan, mede gelet op de zware aard van het werk en de overdracht aan de zoon. Het hof wijst een hogere hypothetische groei toe voor de jaren 1999-2003, variërend van 4,5% tot 1%, maar verwerpt de stelling van appellant dat hij na zijn zestigste zou blijven doorwerken.
Medisch onderzoek bevestigt blijvende functionele invaliditeit van 2%, zonder beperkingen voor beroepsarbeid. Het hof acht een smartengeldvergoeding van EUR 11.000 passend, lager dan door appellant gevorderd. Materiële schadeposten worden grotendeels afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Het hof verwerpt de incidentele grieven van het Waarborgfonds en bepaalt dat het Waarborgfonds het reeds betaalde voorschot van EUR 160.145,45 in mindering mag brengen. De zaak wordt verwezen voor een nieuwe berekening van de schadevergoeding op basis van de aangepaste groeipercentages.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat appellant tot zijn zestigste zou hebben doorgewerkt en beveelt een nieuwe schadeberekening met aangepaste groeipercentages; smartengeld wordt vastgesteld op EUR 11.000.