ECLI:NL:GHSHE:2008:BG5004
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Van Etten
- Den Hartog Jager
- Van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verjaring en rente bij dadingsovereenkomst in erfrechtelijke nalatenschapsafwikkeling
In deze civiele zaak staat centraal de afwikkeling van een nalatenschap waarbij een dadingsovereenkomst uit 1990 tussen moeder en haar zonen de ter beschikking gestelde gelden regelt. Na het overlijden van moeder in 2004 vordert [Y.] van [X.] een bedrag van € 99.353,-, dat door de notaris als tegoed is vastgesteld.
Het hof onderzoekt of de vordering van moeder op haar zoon [X.] is verjaard. Gezien het ontbreken van een terugbetalingsdatum in de dadingsovereenkomst en het feit dat moeder niet tot opeising is overgegaan, oordeelt het hof dat de verjaringstermijn niet is gestart vóór haar overlijden. De successieaangifte, waarin de vorderingen niet zijn opgenomen, wordt als onvolledig beschouwd, maar niet als bewijs van verjaring.
Verder wijst het hof de vordering van [Y.] tot betaling van wettelijke rente toe vanaf 1 december 2005, waarbij ingebrekestellingen als toereikend worden aangemerkt. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, behoudens de rente en kosten.
De zaak toont de complexiteit van verjaring en rentevorderingen binnen erfrechtelijke geschillen en benadrukt het belang van duidelijke afspraken en tijdige opeising.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot betaling van € 99.353,- met wettelijke rente vanaf 1 december 2005 toe en wijst de vordering tot buitengerechtelijke kosten af.